Tijdelijkheid

Het oude streekbusstation ligt er maar verlaten bij. Werkeloos, sinds het nieuwe busstation in gebruik is. De halteborden staan er nog. Ontdaan van informatie, als stille getuigen van de vroegere ochtenddynamiek. Het beton ademt nog de frustratie van duizenden op een haar na gemiste bussen. Op mijn netvlies het beeld van de chauffeur die stoïcijns zijn bus de bocht om zwaait, de Oosterlaan op. Een plek van kortstondig wachten is getransformeerd tot een plek waar men langsloopt, onderweg van fiets naar station. Een tijdelijke plek is permanent geworden.

Toch hangt er nu weer een tijdelijke sfeer. Voor heel even is het streekbusstation een bouwplaats. De buslanen zijn bedolven onder fietsenrekken, in grote stapels opeengepakt achter hekken die voor even zijn vastgeklonken aan het beton waaraan afgelopen zomer nog het rubber van de grote banden van de bussen plakte. Goten die straks met kabaal omlaag zullen worden getrokken liggen in grote stapels roerloos op hun lot te wachten.

Voor het hek staat een scooter geparkeerd, als voorschot op een nieuwe periode, waarin de chaos van de bussen laverend tussen forensen en studenten plaats maakt voor een nieuwe chaos van staal, vergeten sloten, zadeldekjes en rijen kleurige briefjes aan bagagedragers: “deze fiets wordt binnen 2 weken verwijderd”. Een nieuwe tijdelijkheid is aangebroken.

Terug van weggeweest (stationskronieken #1)

De verkeersregelaars zijn terug. Ik begon ze al te missen, op mijn dagelijkse fietstochtje door de ochtendspits. De chaos van de af- en aanrijdende blauwe bussen, laverend tussen de drommen studenten, in bedwang gehouden door mannen met hesjes en rode handlampen en plastic blokken, in dreigend rood en wit. Dat wespennest heeft plaats gemaakt voor een waterig lentezonnetje boven een stille stroken van beton. Afgeschreven beton.

En dat beton is precies de reden dat de verkeersregelaars terug zijn. Het beton moet namelijk weg, om een groot gat in de grond te maken. Voor fietsen, veel fietsen. Afgelopen dagen is het beton opgedeeld in hapklare brokken. Als in een naaipatroon zijn er stippellijnen op aangebracht zodat overzichtelijke rechthoekjes resten. Een olifant eet men in stukjes.

Over het beton van de vroegere uitstaphalte rijdt nu een karretje dat zich nog het beste laat vergelijken met de dweilwagens van Thialf. ‘Zaagmij’ staat erop, als een bevel. Onder het karretje hangt een zaag, dat als een pizzames in het beton verdwijnt. In een kalm tempo sneert de zaag over de stippellijnen. Rechte lijnen, geflankeerd door dikke waterslang die de zaak moet bekoelen. Dit alles resulteert in stoom, stof en een grote modderpoel, waaronder kaarsrechte zaagsneden schuilgaan. Die brij loopt langzaam naar de rotonde. En daar kun je niet doorheen fietsen. Vandaar de regelaars.

Een dame een invalidenwagentje stopt, vraagt de man om uitleg. Zijn antwoord wordt overstemd door de snerpende dweilwagen. De man dirigeert haar vriendelijk naar de overzijde van de rotonde. De volgende fietser dient zich aan, vraagt om uitleg. Als de regelaar opkijkt om ook haar de weg te wijzen, rijdt de dame in het invalidenwagentje al voorbij de ABN-AMRO. Met een behoorlijke gang heeft ze de rotonde tegen het verkeer in genomen. Want ja, bussen zijn er toch niet.

Naakt

olifantenpaadje langs de geul

Ik ben een zwartrode gestalte in een groene vlakte. De vlaaien ontwijkend spied ik rond naar voorbijgangers op de dijk. Maar niemand heeft mij verder gezien. Dat gat was duidelijk niet geknipt, maar expres zo gemaakt. Een bordje ‘opengesteld’ hing er natuurlijk niet bij. Maar was duidelijk wel de bedoeling. Al voelt het niet zo. Al voelt het helemaal niet zo.
“Naakt” verder lezen

Zomerse dagen

Met een rotgang schiet de wesp door het open raam naar binnen. In een rechte lijn scheert het beestje richting de kamerdeur, om daar abrupt om te keren en linea recta terug te vliegen naar het open raam, dat hij op een haar na mist. Met een ferme tik belandt het beest tegen het glas. Het duikelt omlaag. En blijft een paar seconden zitten in het kozijn. Als het een gezicht had gehad, dan had ik het nu willen zien. “Zomerse dagen” verder lezen

Dat het weer licht wordt

De ochtend is terug van weggeweest. Het ochtendgloren is weer vroeger dan anders en ligt weer binnen handbereik. Even is het weer half september. De delen van mijn forensenreis die donker waren, staan weer in het licht. Ik kan het trottoir weer van de straat onderscheiden en de zon komt op een hele andere plaats op. De sporen bij station Zwolle zijn weer goudgerand. Achter het stuur kan de zonnebril weer op, vooral voor die ene bocht, waarin de snelweg net even naar het zuidoosten draait. De ochtendspits bij daglicht. Ik was ‘m al even vergeten.

Het is die ene maandagochtend aan het einde van oktober. Dat moment dat een paar weken later alweer teniet wordt gedaan door het korten van de dagen. Dat moment waarop de natuur het voor even gewonnen heeft van de klok. Dat moment in het najaar waarin iedereen toch even ontregeld is, hoe minimaal de aanpassingen ook zijn. Dat moment dat het weer licht wordt.

foto: Luken Hulsker 2016

Omgevingsmanagement, het oude liedje?

Af en toe moet je als omgevingsmanager een spiegel worden voorgehouden. Jan Rotmans, hoogleraar aan de Erasmusuniversiteit en beroepsveranderaar, heeft het voorhouden van spiegels tot kunst verheven en werd daarom gevraagd om te spreken op de landelijke omgevingsmanagementdag die op 19 juni werd gehouden in Den Bosch. Ik ken Jan van zijn presentaties over de transitie van onze samenleving en zijn enthousiasme bij kaneelbijeenkomsten. Erheen dus.

“Omgevingsmanagement, het oude liedje?” verder lezen

Gewond

De stad Zwolle is gewond. Puin grind en kiezels liggen ingeklemd tussen de gracht van het centrum en de straten van Assendorp. Op de resten van het oude ziekenhuis verrijzen in grijs gasbeton alweer de contouren van nieuwe woningen. Het Dominicanenklooster kijkt er fier op neer, nog grootser dan vroeger. Wat nog rest zijn de stille getuigen van een halve eeuw ziekenhuis.

Weinig herinnert nog aan de plek van pijn, tranen, geluk, calamiteiten, warmte en zorg die dit geweest is. Op het asfalt van de straten van Groot Weezenland vind je nog in vervallen grijs de letters ‘ambulance’, met een pijl voor linksaf. De loeiende sirenes liggen in nog vers in het geheugen van de geveltjes aan de rechterkant, die het ziekenhuis nog gebouwd zagen worden. Langs de Luttenbergstraat staat nog het zusterhuis. In de gevel prijkt het ingemetselde symbool van barmhartigheid: de samaritaan. De losgehaalde stenen aan de rand van de gestalte verraden een vooronderzoek. Krijgen we de Samaritaan onbeschadigd van zijn plaats?

En vlak bij de wat vervallen parkeerplaats langs de gracht verraadt de bushalte het recente verleden. Een grote bushalte in het niemandsland, zo vlak langs de bruisende binnenstad. Gele neonletters. Veel bussen. Zo veel dat op het vertrouwde gele bord de nummers niet eens meer genoemd staan. “diverse lijnen richting station” staat erop. Dat zal met de volgende aanbesteding vast wel verminderen. En daarboven: Isala klinieken. Een vergeten bushalte met de naam van een afgebroken ziekenhuis. Links van mij de torenspits van de Dominicanenkerk. Rechts de Sassenpoort. Achter mij de eerste prefab contouren van vernieuwing. Het zal niet lang duren totdat deze Zwolse wond geheeld is. De bushalte krijgt dan ongetwijfeld een naam die minder vergankelijk zal zijn, al heeft de tijd daarbij altijd het laatste woord.

Jane Jacobs in Apeldoorn

Er is niemand op straat in het Boomblauwtje. Het is twaalf uur ’s middags in Zuidbroek, Apeldoorn. De witte muren nog fris van de oplevering, pikzwarte leistenen daken in scherpe punten. Af en toe steekt één puntdak eigenwijs af tegen het lange zadeldak. Spontane architectuur: we smullen ervan tegenwoordig. Weg met de eenvormigheid. Leve de afwijking!

De achtertuinen grenzen aan een enorme binnenplaats, waar ook de parkeerplaatsen zijn en een kleine speeltuin. De woningen liggen met hun rug naar elkaar toe. Zo kijk je niet bij elkaar naar binnen, maar is er wel ruimte voor ontmoeting. Spelende kinderen. Spontaniteit. Touwtjes in de brievenbus zijn niet nodig. Buren bereiken elkaar langs de achterkant, en de achterdeur is natuurlijk altijd open.

De woorden van oerplanologe Jane Jacobs komen boven: ‘a neighbourhood needs eyes on the street’ (Death and life of great American cities, 1961). Zij pleitte voor functiemenging, zodat er altijd mensen op straat zijn. Leven, op elk moment van de dag. Dagritmes die door elkaar lopen, zorgend voor dynamiek in de stad, een oogje in het zeil. Dat is in het Boomblauwtje wel anders. Het ‘oogje’ gaat niet naar binnenplaats, maar naar de buitenkant van de woonblokken, waar de voorgevels langs smalle wandelpaadjes kijken op een verlaten grasveldje met een door brandnetels overwoekerd bankje.

Klimops zorgt voor een lange groene muur tussen achtertuinen en binnenplaats. De schuttingen fris op de perceelsgrenzen. De vuilnisbakken netjes achter houten deurtjes weggewerkt. Design-lantaarnpalen die de aangeharkte centrale gemeentetuin omzomen. Een zwervend kinderfietsje is het enige dat erop wijst dat er ook wordt gelééfd in deze Funda-brochure. Hoe lang zou het er al liggen? 

De dagritmes van de tientallen gezinnen van het Boomblauwtje lopen ‘in fase’. Om zeven uur collectief onder de douche, om acht uur collectief op de snelweg. Om zes uur aan tafel. Hier wordt alleen ’s avonds en in het weekend geleefd, en dan vooral tussen de eigen vier muren, rug aan rug. Iedereen aan het werk, iedereen naar school. Iedereen hetzelfde ritme, iedereen hetzelfde leien dakje. Althans, zo lijkt het.

Verwachting

Ze wachten met z’n tweeën. Hangend over het stuur van hun meisjesfietsen. Grote manden voorop. Dikke schooltassen erin. De blikken zijn licht verveeld, maar toch vol verwachting.

Het hoort bij de spandoeken waarop in grote letters staat dat “de scholen weer begonnen zijn”; Scholieren, strategisch op een hoek van de straat, wachtend op hun klasgenoten. In de brugklassen ontstaan nieuwe vriendschappen, op basis van postcode. Groepen groeien, van twee naar drie, naar zes of soms nog meer scholieren. Kleine stroompjes scholieren worden grotere. Een colonne ontstaat, drommend nabij de fietsenhokken van de nieuwe grote school. Gesprekken worden gevoerd. Over muziek. Over de eerste stappen in de liefde. Over die nieuwe van Frans. Over niks.

Ondanks het vertrouwde tafereel kijk ik ervan op, vanuit mijn trein. Deze dames staan midden in een uitgestrekte polder. Plaats van handeling is het Elandpad, in de buurt van Dronten. Het verbindt de Elandweg, een lange boerenweg die van Lelystad naar Dronten en het Ketelmeer loopt, met de woonwijken van Dronten.

Deze dames komen van ver, zijn niet bang voor een stukje fietsen. Het strategisch punt waar hun wegen naar school samenkomen ligt niet op een straathoek, maar in de leegte tussen boerderijen. Het principe is hetzelfde. De schaal is anders. Deze meiden denken groot. Dat zegt iets over mij.

Scholieren op het Elandpad bij Dronten. In een flits schieten ze aan mij voorbij in de platte polder. Eigenlijk heel logisch, maar toch: je verwacht het niet.