Verwachting

Ze wachten met z’n tweeën. Hangend over het stuur van hun meisjesfietsen. Grote manden voorop. Dikke schooltassen erin. De blikken zijn licht verveeld, maar toch vol verwachting.

Het hoort bij de spandoeken waarop in grote letters staat dat “de scholen weer begonnen zijn”; Scholieren, strategisch op een hoek van de straat, wachtend op hun klasgenoten. In de brugklassen ontstaan nieuwe vriendschappen, op basis van postcode. Groepen groeien, van twee naar drie, naar zes of soms nog meer scholieren. Kleine stroompjes scholieren worden grotere. Een colonne ontstaat, drommend nabij de fietsenhokken van de nieuwe grote school. Gesprekken worden gevoerd. Over muziek. Over de eerste stappen in de liefde. Over die nieuwe van Frans. Over niks.

Ondanks het vertrouwde tafereel kijk ik ervan op, vanuit mijn trein. Deze dames staan midden in een uitgestrekte polder. Plaats van handeling is het Elandpad, in de buurt van Dronten. Het verbindt de Elandweg, een lange boerenweg die van Lelystad naar Dronten en het Ketelmeer loopt, met de woonwijken van Dronten.

Deze dames komen van ver, zijn niet bang voor een stukje fietsen. Het strategisch punt waar hun wegen naar school samenkomen ligt niet op een straathoek, maar in de leegte tussen boerderijen. Het principe is hetzelfde. De schaal is anders. Deze meiden denken groot. Dat zegt iets over mij.

Scholieren op het Elandpad bij Dronten. In een flits schieten ze aan mij voorbij in de platte polder. Eigenlijk heel logisch, maar toch: je verwacht het niet.

Tegen de stroom in

Dinsdagmiddag. Door de Van Karnebeektunnel fietst een grootvader. Kleindochter knijpt in opa’s jas. Haar ogen glijden langs de muurschilderingen. Kleinzoon fietst ernaast, dapper trappend door het donkere gat dat Zwolle-Zuid met de binnenstad verbindt.

Een opa in functie, zoveel is duidelijk. Dit is die ene dag in de week dat hij bijspringt om het gat in het weekschema van zijn kinderen op te vullen. De dag waarin hij even een rustpunt kan zijn in de maalstroom van het jachtige bestaan van een jong gezin en met aandacht en toewijding zijn taak kan volbrengen. De kleinkinderen wegbrengen. De kleinkinderen ophalen. De kleinkinderen vermaken.

De tunnel. De schemering. De fietsers. De muurschilderingen. De opa met zijn kleinkinderen. Je verwacht bij hen geen haast, maar opa heeft er toch een stevige gang in. Kleinzoon doet alle moeite om in zijn kielzog te blijven. Met een snelle haal veegt hij het zweet van het voorhoofd, en tuurt tegelijk naar het licht aan het einde van die lange, lange Van Karnebeektunnel. Opa kijkt al bezorgd over zijn schouder: “Doorfietsen jongen! Anders hebben we te weinig stroom om thuis te komen!”

Van karnebeektunnel © Marhov Pictures 2013

Martien Hovestadt heeft fotograferen als belangrijkste hobby, naast zijn werk als koordirigent en muziekdocent in Zwolle. Een omvangrijke collectie van zijn foto’s, onder andere van Zwolse straatbeelden, is te vinden op zijn website.

Achter de schermen

Een onmetelijk hoog geluidscherm scheidt het snelwegleven van de Amersfoortse buitenwereld. Aan de ene kant raast de A28 zes banen dik, aan de andere kant buigt een straat met een zachte ronding om een groep rododendrons. Een treurwilg danst met zijn takken in de zomerzon. Een balkon getooid in bloemen. Een bordje waarschuwt voor drempels. In de verte blaft een hond.

Dat is geen toeval. Bordjes wijzen de weg naar de hondenvereniging ”t Haartje’. Op zaterdagmorgen zullen de stationwagens in colonne de flauwe bocht nemen, als de baasjes met hun honden de gang naar de gehoorzaamheidstraining maken. Auto’s met flinke achterbakken, soms met een afrastering gescheiden van het voorgedeelte. Kluiven en rubberen speeltjes en een hondenpootje van modder op de achterbank. Dekens vol met haren. De geur van hond. De ongeduldige viervoeters spits toekijkend achterin. Zijn we er al? Het grasveld lonkt.

Achter elkaar draaien ze de smalle weg op, stapvoets langs dat grote betonnen scherm. Tot ze bij de het viaduct van de Heiligenbergerweg zijn. Onder het viaduct is er alleen een lage betonnen rand, met een vervallen bouwhek. De straat kust het asfalt van de snelweg. Tussen hen in nauwelijks een halve meter. Hier kunnen de honden en hun baasjes voor een tel een glimp opvangen van dat lege, parallele universum. En dan stapvoets weer verder langs de achterkant van het bruinrode beton, dat al hun geblaf zal smoren.

Carnaval der dieren (2)

De donkere dagen voor kerst zijn weer aangebroken. De bussen zijn niet blauw maar grijs, hun oranje letters steken fel af tegen het ochtendgloren. De kou snijdt door mijn spijkerbroek. En vanavond, als alles zich omgekeerd voltrekt, zal het niet anders zijn. Het dagelijks transport heeft zich verplaatst naar de donkerte.

Eén van de lampen van het busstation flikkert een paar keer en laat nog meer donkerte achter. Ik weet zeker dat een ambtenaar zich komende week druk zal gaan maken om die lamp. Want de dagelijkse forensen dienen verlicht te zijn. Ze hebben het hard nodig, deze dagen.

Terwijl de hemel oranje kleurt achter de oude blauwe vakwerkbrug krijsen een paar meeuwen om een oude boterham: hun ontbijt. Pas als lijn 29 naar Dedemsvaart optrekt maken ze plaats, om een paar seconden later weer neer te strijken. Ik besef dat we nog wat van die meeuwen kunnen leren. Ontbijten bij het ochtendgloren, we waren al bijna weer vergeten hoe dat voelt.

Carnaval der dieren

Het carnaval der dieren is nooit ver weg. Ook niet in Vaassen. Mijmerend rijd ik over de Kanaalweg. Een gangetje van 60 kilometer per uur is een prima snelheid om de dingen die vandaag komen gaan te overdenken. Op de radio klassieke muziek. Rechts van mij zicht op het Apeldoorns Kanaal. Beter kan de werkdag niet beginnen.

En net als ik in spanning wacht tot de volgende plaat wordt afgekondigd – het is altijd een sport om te raden wat je hoort op radio 4 – wordt mijn bubbel verstoord door een stoet ganzen. Van rechts naar links willen ze oversteken. Ze schrikken van het gebrul van mijn auto, dat schril contrasteert met hetgeen er daarbinnen aan de hand is, en druipen af. Terug richting kanaal.

Ik heb de afkondiging gemist, maar op de radio wordt nu een klassieker ingezet: het Carnaval der dieren van de Franse componist Saint Saëns. Dat kan geen toeval zijn. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik de ganzen meteen kordaat oversteken. Mijn gebrul was slechts een korte onderbreking van hun expeditie. En terwijl ik de Papegaaiweg passeer besef ik, misschien wel net zoals Saint Saëns dat deed, dat wij mensen hier op deze planeet toch echt te gast zijn.

Drie minuten

We staren de vierbaansweg af, op zoek naar een blauwe bus. In gedachten al thuis. Vrouw, kinderen, karbonade. De tijd verstrijkt. Spleetogen turen. De zon prikt. De oranje minuten tellen af op het gitzwarte bord. Tot onze bus digitaal niet meer bestaat. Anticlimax.

Kom kom, gelukkig is er nog de echte wereld. Moedig vormen twee paar ogen weer spleetjes. Na een minuut of drie maakt de onrust zich van ons meester. Drie minuten! Drie minuten is kennelijk de marge waarbinnen de raderen van onze samenleving dienen te draaien. Drie minuten. Wat zijn drie minuten?

Na tien minuten ontstaat er een gesprek. Tien minuten! Tien minuten is kennelijk de tijd die we nodig hebben om ons geen vreemden meer voor elkaar te voelen. Tien minuten van verlegen anonimiteit, onverschilligheid. Wat zijn tien minuten?

Vertrek

Blauwe bussen zwenken door een haag van platanen. Het busstation getooid door de zomer, elke halte zijn eigen plataan. De Zwolse Oosterlaan doet zijn naam eer aan. Hordes scholieren en forensen worden opgeslokt en naar verder gebracht. De eerste ochtendspits van het jaar. Ieder in zijn rol. De raderen draaien weer. Twee meisjes steken al kwebbelend hun hand op. Nonchalant, als is er geen gevaar. Lijn 29 naar Coevorden maakt zijn eerste stop, na een meter of 10. De valreep. Wapperende krullen. Terwijl ze naar hun plaats stommelen maakt de chauffeur zijn draai naar de grote weg. Net op tijd grijpt ze een lus. Het jaar is nog lang.

Pieter Roelf

In mijn jongensjaren was er een jongen uit Groningen: Pieter Roelf. Vanaf een jaar of 8 stond ik met ‘m op en ging ik met ‘m naar bed. Zijn boeken, kleine en grote, viste ik uit de grote boekenkast van mijn ouders en nam ik mee naar mijn jongenskamer, waar ik ze avond aan avond verslond. Pagina voor pagina spelde ik uit. Toen ik achttien was had ik geld genoeg om zelf zo’n boek te kopen. Glimmend stapte ik de boekhandel uit met een nieuwe druk van Pieter Roelf.

“Pieter Roelf” verder lezen

Voor even medepassagier

Er stapt een man de coupé binnen. Onopvallend, maar niet ongezien. Schuchter neemt hij plaats in het eerste zitje naast de schuifdeuren. Hij slaat zijn benen over elkaar en neemt de omgeving in zich op. In één beweging draait hij naar het raam en begint naar buiten te staren. Het voorbijglijdende landschap weerspiegelt in zijn vierkante brillenglazen. De buitenwijken van Utrecht. Het kerkje van Harmelen, de plaats van het fatale treinongeluk zo’n halve eeuw geleden. De langgerekte polders van Oudewater en Reeuwijk.

De zon valt op het witte tafeltje tussen ons in. De trein zoemt zachtjes. Zijn kalme blik verraadt voldoening. Denkt hij aan zijn vrouw? kinderen? De werkdag die zich weer aandient? Minnares? Carrierestap? Versnapering op het volgende station? Het ouderwetse zilverkleurige montuur wordt getooid door borstelige wenkbrauwen. Zijn dunne blauwige lippen en verweerde huid vertellen dat zijn pensioen niet ver meer kan zijn. De stad schiet voorbij. De perrons van Goverwelle. Het moderne stadhuis van Gouda met zijn lange diagonalen die zijn ontleend aan de Goudse stroopwafels.

Zijn pak valt in keurige snit om zijn brede schouders, al kun je zien dat ze vroeger breder geweest zijn. Zijn broek valt keurig over zijn glimmend zwart gepoetste schoenen. Gesteven boord. Een pet ontbreekt nog net. Terwijl de trein zich weer in beweging zet, staat hij op. De trein glijdt over een wissel en wiegt zachtjes heen en weer, maar onze man staat stevig in zijn schoenen. Met een zwaai staat hij midden in het gangpad en pakt zijn scanner: “uw vervoersbewijzen alstublieft”.

Opladen

De vooruitgang heeft ook Zutphen bereikt. Zutphen heeft een tappunt. Het staat op de Overwelving, de plaats waar de binnenstad het riviertje de Berkel raakt. Het tappunt staat vlak naast de C&A, die met zijn gebouw – zoals op zoveel plekken – flink detoneert. Het stelt niet veel voor: een paal met een stopcontact, met een blauw plaatje van een mobieltje en een tablet erop, in de NS-pictogrammenstijl. Hier kun je even opladen, op kosten van de maatschappij.

Maar waarom een tappunt in het centrum? Je zou denken dat een telefoon best voor even onmisbaar is, en dat een batterij van een elektrische fiets voldoende moet zijn om even naar de binnenstad te kunnen fietsen.Na enkele minuten arriveert er een man met het antwoord. De passant komt uit Doetinchem, zo’n 25 kilometer verderop, om met zijn zoon af te spreken die hier in Zutphen aan het werk is. En ja, dat doet hij per fiets. Zijn zoon belde op het laatste moment op, om te melden dat er een zakelijke afspraak tussen is gekomen en het flink later wordt. Dus nu zit hij hier. In de binnenstad. Bij het tappunt, want zijn fiets kan na een enkeltje Doetinchem-Zutphen wel wat stroom gebruiken.

De man stapt af en neemt plaats op de praatstoel. Zijn dochter is professor. Een slimme meid die een doorzonwoning in Amsterdam heeft weten te bemachtigen. Zijn zoon is geoloog en heeft een drukke baan in Zutphen. Ze komen regelmatig langs, maar luisteren niet echt naar hem. Ze nemen soms zelfs werk mee! En als ze daar mee klaar zijn, dan beginnen ze vol goede bedoelingen het gras te maaien. Maar ze vergeten zich te verdiepen in zijn leven, er voor hem te zijn.

Er echt zijn. Dat is de kunst. Een lege telefoon of fiets en een tappunt in de stad geeft je een verplichte pauze. Een moment om even in het moment te zijn en een gesprek aan te gaan. Even te luisteren naar je buurman, die qua energieniveau in hetzelfde schuitje zit, net als aan de toog in je stamcafé. De bedoelingen van de gemeente Zutphen dringen nu tot mij door. Ik snap nu ook de naam. In de analogie ontbreekt er echter nog één ding. Het is ten slotte al in de namiddag. Waarom is dit tappunt niet aan de Houtmarkt gezet?