Elke stad heeft zijn hangplek. Een smoezelig achterafparkje. Een stukje stad waar niemand zich druk om maakt. Vergeten door beleidsmakers, op zomeravonden ingenomen door jongeren die elkaar wat te vertellen hebben. “Tussenland” wordt het ook wel genoemd. Iedereen heeft wel zo’n plek, een achteraflandje waar je heen ging met vrienden. Om te praten over meisjes. Om samen te drinken, samen te huilen. Het zijn de rafelrandjes, de mooiste stukjes stad.

Amsterdam had de Diemerzeedijk. De achterkant van Amsterdam, met uitzicht op de havens, de flats van Diemen, de energiecentrale en aan de andere kant de havens aan het IJ. De Amsterdamse schrijver Nescio beschreef begin vorige eeuw al, toen al die uitzichten er nog niet waren, het doelloze hangen aan de Diemerzeedijk perfect in zijn boek Titaantjes.

De titaantjes zijn vijf jongens, vol idealen. Ze hangen bij elkaar op een zolderkamertje, in het Sarphatipark, in de Zandvoortse duinen, aan de Diemerzeedijk. Ze steken elkaar de loef af met hun recacitrantie en non-conformisme, maar komen uiteindelijk allemaal keurig terecht. Nescio’s werk is doordrongen van het verzet tegen het conformeren aan de maatschappij. De angst voor de burgerlijkheid die van alle tijden is. De Diemerzeedijk is een van de belangrijkste decors van het boek:

“En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees, die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker wisten nergens van. Die zaten op de stenen onder aan de zeedijk met de ogen half dicht en keken tussen hun oogharen door naar de dansende gouden pijltjes die de zon in ’t water maakte.”

Nescio voltooide zijn Titaantjes in 1914. Honderd jaar later is er veel gebeurd. De Diemerzeedijk werd afgesneden van de stad door het Amsterdam-Rijnkanaal. Het gebiedje werd het een van de smerigste stukjes van Nederland, een vuilstort, het afvalputje van Amsterdam. Vanaf de dijk staar je niet meer over de Zuiderzee, maar op de hippe huizen van IJburg. Gebouwd voor mensen die zich hebben geconformeerd aan de normen van de maatschappij. Je kijkt recht de burgerlijkheid in. De vuilstort werd gesaneerd en het gebied werd omgetoverd tot het keurige Diemerpark. Vanuit Diemen kwam er een slingerende witte brug met ranke pylonen over het Amsterdam-Rijnkanaal: de Nesciobrug. Het Diemerpark werd een park voor de yuppen van IJburg, voor gezinnen met hun Goldenretrievers en jongens van een jaar of twintig. In groepjes, rondhangend aan het water op zoek naar een plek voor hun idealen. Nescio wist het al:

“Het was een wonderlijke tijd. Als ik er even over nadenk, dan moet die tijd nog voortduren, die duurt zolang er jongens van negentien, twintig jaar rondlopen. Maar voor ons is hij lang voorbij”.

Zolang er Titaantjes zijn, zijn er de ongepolijste plekken waar ze hun idealen delen. Het Diemerpark is nu een gepland stukje burgerlijke stad geworden. Nieuw ongepolijst tussenland is weer nodig, en het zal ongetwijfeld gevonden worden. Er is altijd ruimte voor idealen. Die wonderlijke tijd van de titaantjes zal altijd voortduren.

Nesciobrug