Opladen

De vooruitgang heeft ook Zutphen bereikt. Zutphen heeft een tappunt. Het staat op de Overwelving, de plaats waar de binnenstad het riviertje de Berkel raakt. Het tappunt staat vlak naast de C&A, die met zijn gebouw – zoals op zoveel plekken – flink detoneert. Het stelt niet veel voor: een paal met een stopcontact, met een blauw plaatje van een mobieltje en een tablet erop, in de NS-pictogrammenstijl. Hier kun je even opladen, op kosten van de maatschappij.

Maar waarom een tappunt in het centrum? Je zou denken dat een telefoon best voor even onmisbaar is, en dat een batterij van een elektrische fiets voldoende moet zijn om even naar de binnenstad te kunnen fietsen.Na enkele minuten arriveert er een man met het antwoord. De passant komt uit Doetinchem, zo’n 25 kilometer verderop, om met zijn zoon af te spreken die hier in Zutphen aan het werk is. En ja, dat doet hij per fiets. Zijn zoon belde op het laatste moment op, om te melden dat er een zakelijke afspraak tussen is gekomen en het flink later wordt. Dus nu zit hij hier. In de binnenstad. Bij het tappunt, want zijn fiets kan na een enkeltje Doetinchem-Zutphen wel wat stroom gebruiken.

De man stapt af en neemt plaats op de praatstoel. Zijn dochter is professor. Een slimme meid die een doorzonwoning in Amsterdam heeft weten te bemachtigen. Zijn zoon is geoloog en heeft een drukke baan in Zutphen. Ze komen regelmatig langs, maar luisteren niet echt naar hem. Ze nemen soms zelfs werk mee! En als ze daar mee klaar zijn, dan beginnen ze vol goede bedoelingen het gras te maaien. Maar ze vergeten zich te verdiepen in zijn leven, er voor hem te zijn.

Er echt zijn. Dat is de kunst. Een lege telefoon of fiets en een tappunt in de stad geeft je een verplichte pauze. Een moment om even in het moment te zijn en een gesprek aan te gaan. Even te luisteren naar je buurman, die qua energieniveau in hetzelfde schuitje zit, net als aan de toog in je stamcafé. De bedoelingen van de gemeente Zutphen dringen nu tot mij door. Ik snap nu ook de naam. In de analogie ontbreekt er echter nog één ding. Het is ten slotte al in de namiddag. Waarom is dit tappunt niet aan de Houtmarkt gezet?

Thuisreis

‘Goed stilzitten jongen, als je beweegt ga je vallen!’ In de Wismarstraat in Zwolle staat de vader met zijn zoons, drie jongens met onschuldig blond haar. Zijn fiets, een zilvergrijs yuppenmodelletje, staat midden op straat geparkeerd. De oudste van de drie jongens heeft wiebelig plaatsgenomen op het stuurzitje, normaliter het domein van de jongste. De middelste en de jongste hebben ieder een eigen fiets, een stoere kindermountainbike. Het kinderzitje bij vader achterop is leeg. Een kinderrugzak bungelt er troosteloos aan.

De zon schijnt zoals die alleen op een warme namiddag schijnen kan. De vader veegt het zweet van zijn voorhoofd. Grote plekken sieren zijn witte overhemd bij de oksels. Daaronder het zwarte krijtstreepje en de strak gepoetste schoenen. Hij zucht en schudt zijn krullen nog eens flink op voordat hij de jongste op de fiets hijst. Aan alles zie je dat hij er geen zin in heeft, dit gedoe. Hiij wil naar huis, aan de karbonade en daarna een zomeravond met een glaasje wijn in de tuin. Hij verlangt er nu al naar.

De oudste zit er beteuterd bij. Hij wil wel protesteren, maar kan niet. Hij kan elk moment met fiets en al tegen de grond gaan. Met geknepen oogjes kijkt hij strak vooruit. Het kan van de ingehouden woede zijn of van de namiddagzon, dat is niet helemaal duidelijk. De middelste kijkt verveeld rond. Hij zit hier ook niet op te wachten, en kan natuurlijk al lang alleen naar huis fietsen. Maar hij wacht geduldig af.

Glimlachend sla ik het tafereel gade, halt houdend in de buurt van de fiets om deze op te vangen als het misgaat. Vader geeft nu instructies. De jongste krijgt een duw in de rug mee en gaat dan onzeker op weg. Terwijl vader hem nakijkt kruisen onze blikken elkaar, maar er is geen contact. De blik van verstandhouding blijft uit.
Zonde.
De man is niet meer in staat tot relativerende blikken. Waarschijnlijk is hij al lang in gedachten bij zijn vrouw, die ongetwijfeld een mening heeft over hoe hij dit nu aanpakt. Zou het flesje wit trouwens al in de koelkast staan?

Vader klimt op zijn fiets. Het gezelschap verdwijnt in de bocht van de Wismarstraat. Het enige dat achterblijft is een blauwerode teenslipper, als een stille getuige van het zojuist gebeurde. Ik kan een nieuwe glimlach niet onderdrukken. Het wordt inderdaad een prachtige zomeravond.

Theater op het busstation

Voor het busstation van Zwolle is er even theater. Blauwe bussen vormen het decor. Twee mannen spelen de hoofdrol. Mannen die elkaar niet kennen, zelfs nog nooit gezien hebben. En toch spelen ze prachtig samen.

De ene man zit in een taxi. De andere rijdt op een racefiets. De taxichauffeur doet wat hij altijd doet. Hij neemt de rotonde voor het station. Hij schuift voor de rij blauwe bussen langs en zwiept zo de taxistandplaats op, die eigenlijk ook een soort bushalte is. Althans, hij is net zo diagonaal aangelegd, en heeft net zo’n iel perronetje van klinkers als de bussen is toebedeeld. Met een flinke trap op de rem komt de man tot stilstand, precies achter zijn collega, die zijn volgende klant juist helpt instappen.

Althans, zo had het moeten gaan. De tweede hoofdrolspeler gooit roet in het eten. Met zijn racefietsje wurmt hij zich langs de bussen voor de taxi langs. Dat kan niet goed gaan. Er is geen geluid. Remmen piepen niet. De man valt van zijn fiets.

Van je fiets vallen is ook een kunst. En wielrenners verstaan die kunst. Zelfs in de eindsprint van een touretappe kunnen renners nog prachtig vallen. En in de herhaling in slow motion is het nog mooier. Het zwaaiende voorwiel. De grimas. De wenteling. Het is bijna genieten, zo’n val. Maar dat is dan weer leedvermaak. Bij deze man is geen slow motion nodig. De man valt prachtig. Dit is geen val maar een buiteling. Tot twee keer toe rolt hij over de kop, precies over het diagonale perronetje van de taxistandplaats. Alsof het ervoor gemaakt is. Dan komt hij in één beweging overeind. Afsluitend veert hij nog even door zijn benen. Op het elegante af.

Kunst. Valkunst. Theater.

Hij kijkt de chauffeur indringend aan en slaat met de vlakke hand tegen het voorhoofd. Stom! Stom! Stom! De schrik en de woede spat eraf. Het is onduidelijk of hij zichzelf of de taxichauffeur de nalatigheid verwijt. De renner mankeert niets, en taxichauffeur heeft het alleen maar heel erg warm. De taxi heeft nog geen krasje. Een paar zweetdruppels op de voorbumper, daar blijft het wel bij. Het voorwiel van de racefiets is flink krom. De taxichauffeur komt uit zijn auto en er worden excuses gemaakt, gegevens uitgewisseld. Men praat nog wat na. Einde eerste acte. Het podium is weer busstation geworden.

De man heeft geluk. Hij kan meteen een taxi naar huis nemen, hij staat immers al op het perronnetje. Maar dat lijkt hem geen goed idee. Met zijn kromme fiets loopt hij naar het station. Voor hem voorlopig geen taxi’s meer.

 

foto: Google maps
foto: Google maps