Zomerse dagen

Met een rotgang schiet de wesp door het open raam naar binnen. In een rechte lijn scheert het beestje richting de kamerdeur, om daar abrupt om te keren en linea recta terug te vliegen naar het open raam, dat hij op een haar na mist. Met een ferme tik belandt het beest tegen het glas. Het duikelt omlaag. En blijft een paar seconden zitten in het kozijn. Als het een gezicht had gehad, dan had ik het nu willen zien. “Zomerse dagen” verder lezen

Carnaval der dieren (2)

De donkere dagen voor kerst zijn weer aangebroken. De bussen zijn niet blauw maar grijs, hun oranje letters steken fel af tegen het ochtendgloren. De kou snijdt door mijn spijkerbroek. En vanavond, als alles zich omgekeerd voltrekt, zal het niet anders zijn. Het dagelijks transport heeft zich verplaatst naar de donkerte.

Eén van de lampen van het busstation flikkert een paar keer en laat nog meer donkerte achter. Ik weet zeker dat een ambtenaar zich komende week druk zal gaan maken om die lamp. Want de dagelijkse forensen dienen verlicht te zijn. Ze hebben het hard nodig, deze dagen.

Terwijl de hemel oranje kleurt achter de oude blauwe vakwerkbrug krijsen een paar meeuwen om een oude boterham: hun ontbijt. Pas als lijn 29 naar Dedemsvaart optrekt maken ze plaats, om een paar seconden later weer neer te strijken. Ik besef dat we nog wat van die meeuwen kunnen leren. Ontbijten bij het ochtendgloren, we waren al bijna weer vergeten hoe dat voelt.

Carnaval der dieren

Het carnaval der dieren is nooit ver weg. Ook niet in Vaassen. Mijmerend rijd ik over de Kanaalweg. Een gangetje van 60 kilometer per uur is een prima snelheid om de dingen die vandaag komen gaan te overdenken. Op de radio klassieke muziek. Rechts van mij zicht op het Apeldoorns Kanaal. Beter kan de werkdag niet beginnen.

En net als ik in spanning wacht tot de volgende plaat wordt afgekondigd – het is altijd een sport om te raden wat je hoort op radio 4 – wordt mijn bubbel verstoord door een stoet ganzen. Van rechts naar links willen ze oversteken. Ze schrikken van het gebrul van mijn auto, dat schril contrasteert met hetgeen er daarbinnen aan de hand is, en druipen af. Terug richting kanaal.

Ik heb de afkondiging gemist, maar op de radio wordt nu een klassieker ingezet: het Carnaval der dieren van de Franse componist Saint Saëns. Dat kan geen toeval zijn. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik de ganzen meteen kordaat oversteken. Mijn gebrul was slechts een korte onderbreking van hun expeditie. En terwijl ik de Papegaaiweg passeer besef ik, misschien wel net zoals Saint Saëns dat deed, dat wij mensen hier op deze planeet toch echt te gast zijn.

Polderstad geeft lucht ?!

Hij landt met veel uiterlijk vertoon op het spiegelende water. Koninklijk. Zijn zwarte zwemvliezen verdwijnen langzaam in het wit kolkende water. Spetters schitteren in de zon. Het statige dier mindert vaart tot ook zijn witte staartveren het water raken. Het remmen gaat langzaam over in zwemmen. Het dier schikt zijn vleugels. Kalmte keert terug. Op de achtergrond klinken vliegtuiggeluiden en onduidelijk gepraat tussen piloten. Snowy White zingt ‘Bird of Paradise’. Wat een prachtlied. Wat een prachtbewegingen. De natuur in volle glorie. Onaanraakbaar.

Ik heb het over de KLM-reclame uit de jaren ’90. Altijd als ik een zwaan ontmoet, schieten de beelden door mijn hoofd en klinken direct de twijfelende gitaarklanken van de intro van dat lied: ‘So we’re flying by…’

Zo ook op een gewone zondagmiddag in Lelystad. Statig en tegelijk sierlijk dwingt een zwanenpaar hun plaats af in het park. Ondertussen weten vader en moeder zwaan ook nog gelukkig gezinnetje te spelen, op het menselijke af. Ook dat herinnert me aan de beelden van KLM. Tussen de indrukwekkende beelden van stijgende en landende zwanen gaat het er in de reclame allemaal wat rustiger aan toe. De familie zwaan dobbert lekker op het open water. Het water kabbelt. De halzen van vader en moeder bewegen vloeiend. De kinderen wat onwennig tussen hun ouders in. Gezinsgeluk op een koninklijke manier. Dat is waar de KLM zich graag mee associeert.

Zo niet in Lelystad. Omdat ik dichterbij gekomen ben maakt de familie zwaan zich op voor confrontatie. Gezinsgeluk kan wachten. Papa zwaan snelt vooruit. Mama peddelt langs de kinderen mee naar voren. Het is voor mij tijd om plaats te maken en de dieren de ruimte te geven die ze nodig hebben. Ondertussen hangen de beelden van de KLM niet alleen in mijn hoofd, maar ook erboven. In een ritme van een paar minuten komen de vliegtuigen over, onderweg naar onze nationale luchthaven om daar een net zo indrukwekkende landing te maken als meneer zwaan van de reclame.

Luchtvaart is een veelbesproken onderwerp hier in Lelystad. Het lokale vliegveld moet worden uitgebreid om ruimte te bieden aan de vakantievluchten van Schiphol. Voor omwonenden hoeft het niet zo nodig. Zij zien hun gezinsgeluk bedreigd door geluidoverlast. De gemeente wil maar al te graag. Werkgelegenheid en de bijbehorende economische voorspoed ligt in het verschiet voor de polderhoofdstad. En wie kan daar nou tegen zijn? Het is misschien ook wel daarom dat de gemeente de slogan ‘Lelystad geeft lucht’ gebruikt om de stad te promoten. Een mysterieuze zin die van alles kan betekenen, maar in dit verband verrassend toepasselijk is. Lelystad geeft lucht, maar het is de vraag aan wie. Aan de eigen inwoners, de vliegtuigen of aan de zwanen met hun gezinsgeluk uit die mooie KLM-reclame?

De zwanenfamilie gaat inmiddels in optocht door het water. Hun witte vachten steken scherp af tegen de groene horizon van de polderhoofdstad. Spelende kinderen nemen een stap terug. Een vader waarschuwt zijn jonge dochter om niet te dichtbij te komen. Zelfs de eenden maken plaats en zoeken hun toevlucht in de rietkragen. Birds in paradise. Het is helemaal duidelijk voor wie de Lelystadse lucht bedoeld is.

Dood gevonden worden

Er ligt een vogel op spoor 2. Dood. Het was een plotselinge trein, of waarschijnlijker, de bovenleidingsdraad die na een moment van blinde paniek over het hoofd werd gezien. Een schok, een stuiptrekking en dat was het. Nu ligt hij met zijn pootjes op een grijsbetonnen dwarsligger. Zijn kopje ligt tussen de kiezels en de vleugels zijn gespreid. Het einde was abrupt, hij heeft er niets meer van meegekregen. Gelukkig maar.

De reizigers op station Amsterdam-Zuid bekommeren er zich niet om. Ze kijken op hun telefoon of speuren in de verte, ongeduldig wachtend op hun verbinding, de trein naar huis. Op de Zuidas is de dood ver weg: het gonst er van het leven. De jonge werkende klasse zet er de toon. Het is de wereld van pakken, van meetings, follow-ups, elevator-pitches en winstwaarschuwingen. Evenals de dood is ook de natuur ver te zoeken. Duurzaamheid is er vooral een woord dat samenhangt met goede sier en imago. Banken, verzekeraars… hier gaat het om virtuele wereld. Gebakken lucht, weten we sinds de crisis. De échte lucht is ondertussen verstoken van vogels. Vooral vanwege het beton, het kunstlicht en het lawaai van de massa’s treinen, trams en files. Op de Zuidas wil je nog niet dood gevonden worden als vogel.

Dode vogel op spoor 2

Maar deze rare vogel overkwam het. Nu ligt hij daar toch zeker al een paar dagen in zijn openbare graf. De duizenden reizigers laten hem links liggen, gunnen hem geen blik waardig. In de nachtelijke uren, nadat het gerommel van de laatste tram in de verte is weggestorven, trekken de lijkenpikkers hem naar de vergetelheid, tot er alleen een pluizig karkas over is. Een vlek op het beton.

De troost in dit kader wordt geboden door de vooruitgang. De gemeente Amsterdam, Prorail en Rijkswaterstaat bouwen ter hoogte van het station het Zuidasdok: twee tunnels voor de snelweg. Daartussenin een nieuw station met misschien wel een grote overkapping, dat in ieder geval een deel van de bovenleidingen afschermt voor passerend gevogelte. Bovenop de snelwegtunnels komt ruimte voor groen. Groen voor de mensen van de Zuidas, die dan tijdens hun lunchpauze misschien wel een vogeltje horen fluiten.

Foto Zuidas: gemeente Amsterdam

Loyaliteit tussen golfplaten

Slecht nieuws voor de duiven van het Jaarbeursplein. Diner 66 is niet meer. Platgegooid. Neergehaald. Gestript. Gesloopt. Diner 66, een hamburgertent die draait op hongerige dagjesmensen onderweg van jaarbeurs naar station, staat recht tegenover het Beatrixtheater. Kom je omlaag vanaf het station, dan kun je er niet omheen. Een hutje van grijze golfplaten. De letters ‘Diner’ in vaalrood op het dak, door fietsen en taxi’s omringd. Binnen is het één en al Wild West. Rode zachte zittingen, zwartwit geblokte prints, RVS tafeltjes en vage bordjes aan de muur die, inderdaad, langs de Route 66 niet hadden misstaan.

Nu liggen de stalen golfplaten troosteloos op de grond. Van het Amerikaanse interieur is niets meer te herkennen. Een klein stukje chaos tussen de fonkelnieuwe trap en de wanordelijke zee van fietsen. Één klein muurtje staat nog overeind. De restauranthouder is verhuisd naar een tochtige hoek aan de Croeselaan even verderop. Naar een kaal pand zonder al te veel historie. En zonder stalen golfplaten. Eigenlijk een keurig pand, en da’s nog erger. Want een beetje saloon langs de Route 66 hangt van ellende aan elkaar. Het kan er niet krakkemikkig genoeg zijn. Diner 66 gaat er wat dat betreft flink op achteruit.

Jarenlang hadden de duiven hun plekje onder de golfplaten van Diner 66. Onder toeziend oog van de taxichauffeurs en buschauffeurs scharrelden ze hun maaltje bij elkaar. Ze maakten er een kunst van om de stalen prikkers te omzeilen die de eigenaar op alle randjes had gezet om de beesten te verjagen. Onder het ene kleine stukje stalen balk dat geen prikkers heeft kleurt de stoep vaalwit. Kat en muis. Man en duif.

En nu?

Verdwaasd duikt een duif onder wat rondslingerend bouwafval. Er valt niets meer te halen. Geen hamburgerpapiertje, zelfs geen vertrapt frietje. Het is over en uit. Tijd om op zoek te gaan naar een nieuw onderkomen. Een nieuwe plek om te hangen. Maar dat is niks voor de duif. De duif houdt niet van experimenteren. De duif doet liever gewoon. Dan doet hij namelijk al gek genoeg. Zo trouw als een hond, die duif. Dus blijft hij rondhangen op het jaarbeursplein. Maar loyaliteit wordt niet beloond. Ook niet bij Amerikaanse Hamburgertentjes.

20140425-220459.jpg