In de mode (?)

Wat is er toch aan de hand met de Primark? Het ene moment heb je er nooit van gehoord, en het andere moment zie en hoor je de Primark overal. Het doet me denken aan de manier waarop eind jaren negentig heel Nederland ‘Hi’ werd. Vanuit het niets was daar ineens het Hi-mobieltje. Inmiddels niet meer weg te denken uit het telefoonlandschap. Hadden we toen Hi, nu is er Primark.

Ik tref de Primark in Almere. De keten huist hier in een groot hoekig gebouw aan de rand van het Stationsplein, een voor polderbegrippen besloten pleintje tussen het station en het winkelcentrum van de nieuwbakken stad. In het midden twee rijen fonteintjes, die afwisselend hoog, laag, aan en uit zijn. Speels water. Daaromheen blokkerige houten bankjes die het plein een moderne aanblik geven. Vrouwen met tassen vol kleding snellen mij voorbij in de richting van het station. Zijn ze de veertig gepasseerd dan gaan ze vergezeld van niets meer dan een rieten tas of iets anders praktisch. Zijn ze rond de twintig, dan bewegen ze in groepen. De polsen zwaar van de plastic tassen van de hippe modeketens.

Als ik binnen ben, wordt het mij snel duidelijk. De Primark is een kledingwinkel waar hippe kleding niet al te duur verkocht wordt. Niet zo raar dus dat gewone Hollandse meisjes razend enthousiast zijn. In grote roedels zwalken ze door de binnensteden, op zoek naar ’s lands nieuwste hippe aanwinst. In de jaren ’80 had je C&A, later waren het de Zweden met H&M en nu heb je Primark. Daar komt het ongeveer op neer. Met dat verschil dat er nog maar zeven Primarks zijn in ons land, al zal dat aantal vast snel groeien. Deze modewinkel is namelijk in de mode. Oftewel hot, hip, of trendy. Ook de benaming of iets in de mode is, is op zichzelf aan mode onderhevig. Zo gaat dat tegenwoordig.

Onverrichterzake loop ik winkel weer uit. Op het plein bij de fontein zitten een aantal dames uit te blazen van hun bezoek aan de modezaak verderop. Hippe dames. Zonnebrillen, rokjes. Ze evalueren hun aankopen, met allemaal een kartonnen Primark-tas tussen de benen. Ze zitten op één van de grote blokbanken, die als grote voordeel heeft dat er veel mensen tegelijk op passen. Ineens verlang ik terug naar de tijd dat een bankje nog gewoon uit vier plankjes en twee betonnen poten bestond. Waar je ook kwam, overal dezelfde simpele bankjes. De confectie van de straat. Maar ja, dat was ook de tijd dat je voor een betaalbare broek of jas alleen bij de C&A terecht kon. Tijden veranderen. En alles verandert mee.

Spiegel langs het spoor

Almere-Buiten. De naam zegt het al: een buitenwijk van Almere. Jarenlang reed ik met de trein door Almere en zag de stad groeien. Wijk na wijk vloog uit de grond. Station na station werd geopend. Bij elke treinreis zag het er weer anders uit. Brede dreven en busbanen wisselen af met frisrode fietspaden en kanalen, in Almere vaarten genoemd. Daartussen de eindeloze rijen woningen in woonwijken met namen als ‘tussen de vaarten’. Men moest toch wat daar in Almere. Er kwamen ook zo snel straten en wijken bij.

Te midden van al die expansiedrift en verandering heeft een mens behoefte aan bakens. Vertrouwde plekken. Herkenningspunten. Almere-Buiten heeft dat. De zeildoeken torentjes en de verlichte kunstmaan van winkelcentrum DoeMere. De rode flats van de Regenboogbuurt die vanaf de snelweg zo mooi te zien zijn. Een rij witbakstenen woningen met geschilderde garages.

Rijtjeswoningen? In Almere-Buiten staat een wel heel bijzonder rijtje. Ergens langs het spoor hebben een aantal mensen begin jaren ’90 een trein op hun garagedeuren geschilderd. Een ouderwetse dubbeldekker, verdeeld over een stuk of zes garages. Op één garagedeur staat zelfs in wit-blauw de tekst “Delta Lloyd”, de verzekeraar die in die tijd met zijn naam op alle Dubbeldekkers prijkte.

Omdat meerdere garages meededen met het project leek het alsof je vanuit de trein in een grote spiegel keek. Dat deze werd onderbroken door randjes friswitte bakstenen, brandgangen, opritten, caravans en pas geplante conifeertjes mocht de pret niet drukken. Er ging een naief enthousiasme vanuit. Hoewel de meeste mensen die langs een spoorlijn wonen in het algemeen klagen over de voorbijrazende treinen of deze achteloos negeren, werden de dubbeldekkers hier verwelkomd. ‘Eindelijk horen we erbij, is de wereld voor ons ontsloten en is Amsterdam weer een stukje dichterbij komen te liggen’, leken de garages te zeggen. De pioniersgeest straalt er nog vanaf.

Want ja, ze zijn er nog steeds, die geelblauwe garages. Hoewel de treinen van NS al lang en breed overgeschilderd zijn en het geel geler is geworden, het blauw blauwer en Delta Lloyd zijn contract met NS allang heeft verbroken, is daar in Almere-Buiten nog steeds te zien hoe het was in die begindagen van de Flevolijn. In de tijd dat de stations nog spik en span waren en de rails nog niet verroest. Ik vraag me af of de garages inmiddels zijn verheven tot gemeentelijk monument als blijk van de polderpioniersgeest. In elk geval is de bomenrij langs het spoor ervoor onderbroken en kunnen de treinreizigers, inmiddels gezeten in grote intercity’s van Groningen tot Vlissingen, nog elke dag even in een spiegeltje kijken. Sinds de komst van de Hanzelijn is de wereld voor Almere weer groter geworden. En de garages in Almere-Buiten? Die worden meer en meer een herinnering aan die eerste pioniersdagen.

IMG_0591