Jane Jacobs in Apeldoorn

Er is niemand op straat in het Boomblauwtje. Het is twaalf uur ’s middags in Zuidbroek, Apeldoorn. De witte muren nog fris van de oplevering, pikzwarte leistenen daken in scherpe punten. Af en toe steekt één puntdak eigenwijs af tegen het lange zadeldak. Spontane architectuur: we smullen ervan tegenwoordig. Weg met de eenvormigheid. Leve de afwijking!

De achtertuinen grenzen aan een enorme binnenplaats, waar ook de parkeerplaatsen zijn en een kleine speeltuin. De woningen liggen met hun rug naar elkaar toe. Zo kijk je niet bij elkaar naar binnen, maar is er wel ruimte voor ontmoeting. Spelende kinderen. Spontaniteit. Touwtjes in de brievenbus zijn niet nodig. Buren bereiken elkaar langs de achterkant, en de achterdeur is natuurlijk altijd open.

De woorden van oerplanologe Jane Jacobs komen boven: ‘a neighbourhood needs eyes on the street’ (Death and life of great American cities, 1961). Zij pleitte voor functiemenging, zodat er altijd mensen op straat zijn. Leven, op elk moment van de dag. Dagritmes die door elkaar lopen, zorgend voor dynamiek in de stad, een oogje in het zeil. Dat is in het Boomblauwtje wel anders. Het ‘oogje’ gaat niet naar binnenplaats, maar naar de buitenkant van de woonblokken, waar de voorgevels langs smalle wandelpaadjes kijken op een verlaten grasveldje met een door brandnetels overwoekerd bankje.

Klimops zorgt voor een lange groene muur tussen achtertuinen en binnenplaats. De schuttingen fris op de perceelsgrenzen. De vuilnisbakken netjes achter houten deurtjes weggewerkt. Design-lantaarnpalen die de aangeharkte centrale gemeentetuin omzomen. Een zwervend kinderfietsje is het enige dat erop wijst dat er ook wordt gelééfd in deze Funda-brochure. Hoe lang zou het er al liggen? 

De dagritmes van de tientallen gezinnen van het Boomblauwtje lopen ‘in fase’. Om zeven uur collectief onder de douche, om acht uur collectief op de snelweg. Om zes uur aan tafel. Hier wordt alleen ’s avonds en in het weekend geleefd, en dan vooral tussen de eigen vier muren, rug aan rug. Iedereen aan het werk, iedereen naar school. Iedereen hetzelfde ritme, iedereen hetzelfde leien dakje. Althans, zo lijkt het.

Verwachting

Ze wachten met z’n tweeën. Hangend over het stuur van hun meisjesfietsen. Grote manden voorop. Dikke schooltassen erin. De blikken zijn licht verveeld, maar toch vol verwachting.

Het hoort bij de spandoeken waarop in grote letters staat dat “de scholen weer begonnen zijn”; Scholieren, strategisch op een hoek van de straat, wachtend op hun klasgenoten. In de brugklassen ontstaan nieuwe vriendschappen, op basis van postcode. Groepen groeien, van twee naar drie, naar zes of soms nog meer scholieren. Kleine stroompjes scholieren worden grotere. Een colonne ontstaat, drommend nabij de fietsenhokken van de nieuwe grote school. Gesprekken worden gevoerd. Over muziek. Over de eerste stappen in de liefde. Over die nieuwe van Frans. Over niks.

Ondanks het vertrouwde tafereel kijk ik ervan op, vanuit mijn trein. Deze dames staan midden in een uitgestrekte polder. Plaats van handeling is het Elandpad, in de buurt van Dronten. Het verbindt de Elandweg, een lange boerenweg die van Lelystad naar Dronten en het Ketelmeer loopt, met de woonwijken van Dronten.

Deze dames komen van ver, zijn niet bang voor een stukje fietsen. Het strategisch punt waar hun wegen naar school samenkomen ligt niet op een straathoek, maar in de leegte tussen boerderijen. Het principe is hetzelfde. De schaal is anders. Deze meiden denken groot. Dat zegt iets over mij.

Scholieren op het Elandpad bij Dronten. In een flits schieten ze aan mij voorbij in de platte polder. Eigenlijk heel logisch, maar toch: je verwacht het niet.

Tegen de stroom in

Dinsdagmiddag. Door de Van Karnebeektunnel fietst een grootvader. Kleindochter knijpt in opa’s jas. Haar ogen glijden langs de muurschilderingen. Kleinzoon fietst ernaast, dapper trappend door het donkere gat dat Zwolle-Zuid met de binnenstad verbindt.

Een opa in functie, zoveel is duidelijk. Dit is die ene dag in de week dat hij bijspringt om het gat in het weekschema van zijn kinderen op te vullen. De dag waarin hij even een rustpunt kan zijn in de maalstroom van het jachtige bestaan van een jong gezin en met aandacht en toewijding zijn taak kan volbrengen. De kleinkinderen wegbrengen. De kleinkinderen ophalen. De kleinkinderen vermaken.

De tunnel. De schemering. De fietsers. De muurschilderingen. De opa met zijn kleinkinderen. Je verwacht bij hen geen haast, maar opa heeft er toch een stevige gang in. Kleinzoon doet alle moeite om in zijn kielzog te blijven. Met een snelle haal veegt hij het zweet van het voorhoofd, en tuurt tegelijk naar het licht aan het einde van die lange, lange Van Karnebeektunnel. Opa kijkt al bezorgd over zijn schouder: “Doorfietsen jongen! Anders hebben we te weinig stroom om thuis te komen!”

Van karnebeektunnel © Marhov Pictures 2013

Martien Hovestadt heeft fotograferen als belangrijkste hobby, naast zijn werk als koordirigent en muziekdocent in Zwolle. Een omvangrijke collectie van zijn foto’s, onder andere van Zwolse straatbeelden, is te vinden op zijn website.

Pieter Roelf

In mijn jongensjaren was er een jongen uit Groningen: Pieter Roelf. Vanaf een jaar of 8 stond ik met ‘m op en ging ik met ‘m naar bed. Zijn boeken, kleine en grote, viste ik uit de grote boekenkast van mijn ouders en nam ik mee naar mijn jongenskamer, waar ik ze avond aan avond verslond. Pagina voor pagina spelde ik uit. Toen ik achttien was had ik geld genoeg om zelf zo’n boek te kopen. Glimmend stapte ik de boekhandel uit met een nieuwe druk van Pieter Roelf.

“Pieter Roelf” verder lezen

Opladen

De vooruitgang heeft ook Zutphen bereikt. Zutphen heeft een tappunt. Het staat op de Overwelving, de plaats waar de binnenstad het riviertje de Berkel raakt. Het tappunt staat vlak naast de C&A, die met zijn gebouw – zoals op zoveel plekken – flink detoneert. Het stelt niet veel voor: een paal met een stopcontact, met een blauw plaatje van een mobieltje en een tablet erop, in de NS-pictogrammenstijl. Hier kun je even opladen, op kosten van de maatschappij.

Maar waarom een tappunt in het centrum? Je zou denken dat een telefoon best voor even onmisbaar is, en dat een batterij van een elektrische fiets voldoende moet zijn om even naar de binnenstad te kunnen fietsen.Na enkele minuten arriveert er een man met het antwoord. De passant komt uit Doetinchem, zo’n 25 kilometer verderop, om met zijn zoon af te spreken die hier in Zutphen aan het werk is. En ja, dat doet hij per fiets. Zijn zoon belde op het laatste moment op, om te melden dat er een zakelijke afspraak tussen is gekomen en het flink later wordt. Dus nu zit hij hier. In de binnenstad. Bij het tappunt, want zijn fiets kan na een enkeltje Doetinchem-Zutphen wel wat stroom gebruiken.

De man stapt af en neemt plaats op de praatstoel. Zijn dochter is professor. Een slimme meid die een doorzonwoning in Amsterdam heeft weten te bemachtigen. Zijn zoon is geoloog en heeft een drukke baan in Zutphen. Ze komen regelmatig langs, maar luisteren niet echt naar hem. Ze nemen soms zelfs werk mee! En als ze daar mee klaar zijn, dan beginnen ze vol goede bedoelingen het gras te maaien. Maar ze vergeten zich te verdiepen in zijn leven, er voor hem te zijn.

Er echt zijn. Dat is de kunst. Een lege telefoon of fiets en een tappunt in de stad geeft je een verplichte pauze. Een moment om even in het moment te zijn en een gesprek aan te gaan. Even te luisteren naar je buurman, die qua energieniveau in hetzelfde schuitje zit, net als aan de toog in je stamcafé. De bedoelingen van de gemeente Zutphen dringen nu tot mij door. Ik snap nu ook de naam. In de analogie ontbreekt er echter nog één ding. Het is ten slotte al in de namiddag. Waarom is dit tappunt niet aan de Houtmarkt gezet?

Jannendorp

Vanuit Achterveld rijd je zo Jannendorp in. Jannendorp is eigenlijk geen dorp, maar een straat. Het blauwe bord met witte letters wijst genoegzaam de weg. Graslanden maken plaats voor een enkele boerderij. De huizen volgen elkaar sneller op, meestal verscholen in het groen. En voor het goed en wel op gang gekomen is, is daar het eind van de straat en ligt daar de Emelaarsweg, waarvan het maar de vraag is of die nog bij Jannendorp hoort.

Aan het einde van het Jannendorp staat een ouderwetse waslijn in een tuin. Een roestige paal steekt uit het gras. Drie lange lijnen verbinden de paal met de dakgoot, een paar meter verderop. Wit wasgoed wappert in de voorjaarswind. Ik denk aan de Jannen in Jannendorp. En de vrouwen van de Jannen die de was doen van de Jannen en de Jantjes. Zo ging het vroeger, en zo gaat het nog.

Open en bloot hangt het wasgoed het in de buitenlucht. Als getuige van de huiselijkheid van Jannendorp is het zichtbaar voor iedereen die passeert. Men heeft niets te verbergen. Het geruite ondergoed van hem. het spierwitte hemd van haar. De kindersokjes. Keurig op een rij. De wind duwt het onschuldige katoen allemaal een stukje op. De degelijke houten knijpers houden moedig stand. Ziedaar: in Jannendorp wordt geleefd. Wordt gewerkt, gaat het leven zijn alledaagse gang.

Het plaatje zou compleet geweest zijn als de vrouw des huizes nu naar buiten kwam en zonder enige notie van haar omgeving de was af ging halen. Met een nonchalante, maar vloeiende beweging. Blik op oneindig. Knijpers eraf, hemd in de mand, knijpers in het mandje, en snel weer naar binnen, waar de plicht, of misschien haar Jan, alweer roept. Maar de vrouw des huizes laat zich niet zien. Ze weet maar al te goed dat het huishouden een kwestie van slim plannen is.

Spontaan

In Arnhem is spontaan een feestaardvarken uit de lucht komen vallen. Het logge beest ligt met zijn rug in het zand op een vergeten hoekje in het centrum van Arnhem, tegenover de bibliotheek. Zijn rode poten en snuit steken de lucht in als teken van totale overgave. Je moet er maar opkomen als kunstenaar, een feestaardvarken. Het beeld is opgesierd met een feesthoedje van grofweg een meter lang, compleet met elastiek voor onder de kin. Het kunstwerk stemt mij vrolijk. Er is nog hoop. Een kunstenaar heeft hier een prachtige kans verzilverd. Het Feestaardvarken is de handtekening van een gedurfde creatieve geest en een stadsbestuur met lef, en dat past Arnhem wel. De prikkeling der zintuigen doet de wintertemperatuur op het kleine pleintje een paar graden stijgen. Leve de kunst.

Het feest der kunst wordt echter gauw verpest door de steen die vóór het Feestaardvarken ligt. Daarop is een bordje bevestigd dat vermeldt dat het hier een kunstwerk betreft (hoezo!?) en dat beklimming op eigen risico geschiedt. Weg spontaniteit. Weg uitspatting van creativiteit. Weg positiviteit. De op Amerikaanse leest geschoeide juridisering doet ook hier zijn intrede. De ambtelijke indekkerij spat ervan af. Om het nog erger te maken staat een kleine meter verderop een tweede bordje. Het ontzegt poepende honden de toegang tot de kleine, rommelige oase in het verder strak bestrate centrum. Honden zijn welkom. Poepende honden niet. De doelgroep die de dienstdoende ambtenaar hier voor ogen heeft, bestaat uit bezorgde ouders en eigenwijze hondenbezitters die niet met hun verantwoordelijkheden om kunnen gaan. Het geloof in de micromaatschappij van Arnhemse centrumbewoners is op het stadhuis tot ver beneden het vriespunt gedaald. Dit is niet de plek om te klagen over hondenbezitters in het algemeen. Wel doet het bordje mij denken aan een hondenbezitter uit mijn jeugd, namelijk mijn eerste buurman. De man, een uit het juiste hout gesneden Amsterdamse buschauffeur, had een grote boxer, Tessa. De hond deed zijn behoefte op commando. ‘Poep Tessa, poep’ riep de man zodra ze op een achterafveldje stonden waar zich de geschikte bosjes bevonden, want poepen, dat doe je in de bosjes. En daar zeeg het norse beest ineen, het natte gras in om zich even te laten gaan in haar primitiefste behoefte. Voor die man en die hond zou het Arnhemse bordje meerwaarde hebben. Maar ja, waar vind je nog zo’n degelijk opgevoede hond?

Het antwoord ligt niet ver, als ik even later langs de etalages van de Vijzelstraat loop. Voor een telefoonwinkel staat een herderachtige hond. Het wacht op zijn baasje, maar is niet vastgemaakt. Uit verveling drentelt het beest maar heen en weer voor de glazen deuren. Zijn riem sleept over de grond en zijn rode penning zwiept kalm onder zijn hals. Af en toe tuurt hij naar binnen, om zeker te weten of de baas zich daar nog wel bevindt. Na een minuut of vijf houdt het beest het niet langer uit en glipt achter een passant aan de winkel in, terug naar de baas. Wat een disicipline. Het zou me niet verbazen als dit beest het pictogram op het betreffende bordje naast het Feestaardvarken nog zou begrijpen ook. En ik zie voor me hoe hij omkijkt en met zijn hondstrouwe ogen zegt: ‘hier niet hé, baas?’. Vervolgens maakt hij rechtsomkeert en wandelt naar de eerste de beste prullenbak waar van die kneuterige strontraapzakjes boven hangen. Want de Arnhemse ambtenarij had werkelijk aan alles gedacht.

Van horen zeggen

Voor een goede wijn fiets ik om. Voor een goede friet niet. Zo simpel liggen die dingen. Maar hoe weet je wat goed is? ‘Van horen zeggen’ is voor allerlei zaken een garantie voor kwaliteit, maar eerlijk gezegd heb ik het op feesten en partijen nog nooit over de beste patat van de stad gehad. Frieten zijn nu eenmaal geen sexy onderwerp. Staat de plastic bak met patat eenmaal dampend voor je dan komen het ‘beste frietje van Nederland’ opeens wel ter sprake. Niet toevallig worden deze patatten meestal verkocht op de plek van de jeugd van de eters. Niets is misleidender dan de eigen herinnering.

Toch is er in hoofdstraat van Sassenheim een cafetaria gevestigd met de naam ‘Men zegt’. Het lijkt erop alsof mensen hier dus omfietsen voor hun frieten. Dat de verhalen rondgaan tot in de wijde omtrek. Maar wat zegt men eigenlijk over een snackbar? Dat de friet inderdaad goed is? Knapperig van buiten en zacht van binnen? Lekker dik, of juist lekker smal? Dat de kroketten weer smullen waren? Dat op zaterdagavond rond zessen de rij niet al te lang is? Dat je er terecht kunt voor een praatje?

Men Zegt is op het eerste gezicht een gewone snackbar (het woord ‘cafetaria’ heb ik nooit geasocieerd met frituur en vermijd ik hier derhalve, om over verhaspelingen als ‘snacktaria‘ en dergelijke nog maar te zwijgen). Er is een grote vitrine waarin de frikadellen vergezeld gaan van rechtopstaande groene nepsla. Langs de ramen staan versleten kersenhouten meubeltjes. Afgebladderde letters wijzen erop dat een consumptie verplicht is. Een groot scherm met allerhande burgers, bamischijven en bitterballen hangt tegen de muur. Achter de vitrine staat personeel dat zijn wortels heeft in het verre oosten. Zij hebben ongetwijfeld ook een aandeel in het Chinees restaurant van hiernaast.

MenZegt

Ik vraag de man naar de herkomst van de bijzondere naam van hun zaak. Zijn antwoord is even simpel als onverwacht. ‘De naam is al oud. heel oud. Zeker dertig jaar. Toen wij de zaak overnamen was de naam er al. En als men zegt dat het goed is, waarom zou je het dan veranderen? Als je het dan hetzelfde houdt als het was, dan blijft het immers goed.’

Doelt hij nu op de naam van zijn zaak of de kwaliteit van zijn friet? In het eerste geval snijdt de redenering hout. Geen kekke nieuwe naam of marketingtrucs, maar het eenvoudige opportunisme van een hardwerkende ondernemer. Heel Sassenheim kent Men Zegt, dus blijft het gewoon Men Zegt.
In het tweede geval blijkt stilstand wellicht achteruitgang. Het zal niet leiden tot beroemde friet waar tot in Leiden en Haarlem over wordt gepraat. Vooruitstrevend is het niet. Maar dat hoeft ook niet, voor een snackbar in Sassenheim. De Sassenheimer vaders uit de buurt komen toch wel op zaterdagavond, zodat de Sassenheimer kinderen de friet van Men Zegt zich zullen herinneren als de beste van de wereld.

Stoeldraaierstraat

‘Wöllen Sie etwas zu trinken?’ In dapper Duits begint de jonge serveerster over Brötchen en Croissant. Bij het beleg wordt het haar teveel en vraagt ze gauw of de gasten toevallig ook Engels spreken. “Three toppings per person” ‘raw ham’, ‘camembert’, het komt er moeiteloos uit, terwijl haar r op een on-engelse manier van de tong rolt. Een Franse croissanterie waarin Duitse gasten in het Engels geholpen worden: dat is vragen om problemen. En dat alles in de Groningse Stoeldraaierstraat op een gewone doordeweekse morgen.

Het is nog vroeg. Leveranciers rijden af en aan en de zon moet het Groningse plaveisel nog goud kleuren. Ik laat mijn blik langs de panden gaan en denk aan Piet Pellenbarg, de Groningse Hoogleraar economische geografie die de straat eens als voorbeeld nam voor een of ander geografisch verschijnsel. Het enige wat ik me van dat college herinner is de typisch noordelijke manier waarop hij de straatnaam uitsprak. Die vette klemtoon op de oe, die dikke t op het einde. Heerlijk.

Zou Piet Pellenbarg het over de toenemende internationalisering hebben gehad? De toenemende eenvormigheid van de Hollandse en zelfs Europese winkelstraten? Kan zijn. Tegenover croissanterie (let op: geen broodjeszaak) zit een gloednieuwe vestiging van America Today. Verder nog een ‘Leads’, een Travelshop een Golden sleep en kledingwinkel La Ligna. Daar is geen woord Gronings aan. Op de menukaart staat een croque monsieur en geen tosti, ook al zoiets. Toch is de Stoeldraaierstraat niet het beste voorbeeld van de eenheidsworst op winkelgebied. De lokale ondernemers Flokstra en Woldring en de kinderboekhandel houden er sinds jaar en dag de Groningse eer hoog.

‘Gaan we All Stars kopen?’ Een jongetje staat stil en wijst zijn moeder op de gympen in de etalage. ‘Die heb je al schat’. En het duo verdwijnt in de richting van de Vismarkt. Ik kijk ze na en vang nog net een glimp op van Neptunus, fier bovenop de karakteristieke Korenbeurs. Aan de andere kant de Oude Kijk In ‘t Jatstraat – ook al zo’n prachtige naam – met op de achtergrond het torentje van het Academiegebouw. Terwijl ik het internationale karakter van de Stoeldraaierstraat overpeins, bedient de serveerster de Duitse gasten met croissants en een kaasplankje. ‘Alstublieft’ zegt ze met een klein Gronings accent. Een bestelbusje van Knols Koek rijdt zachtjes brommend door de straat, ambachtelijke bakkerij sinds 1923. En dan besef ik weer dat een stad als deze zijn wortels nooit zal verloochenen.

Driepootje

Een groene Peugeot 107 snort langs een lange rij diagonaal geparkeerde auto’s en stopt abrupt. Een gedrongen vrouwtje stapt uit en loopt kordaat voor de auto langs. Ze bukt bij het driepootje dat het eerste van een lange rij lege parkeerplaatsen afgrendelt.

Ze staat voor een gehavend flatgebouw. Forensen lopen af en aan naar de sneltram. Fietsers kruisen elkaar over het plaveisel vol littekens. Een bleek zomerzonnetje weerkaatst op de zwarte taxi’s. Het is maandagochtend op het Utrechtse Jaarbeursplein, een uur of acht.

Het driepootje. Een eenvoudig stalen ding dat ervoor zorgt dat de parkeerplaats erachter toekomt aan zijn enige eigenaar, de houder van de sleutel van het hangslotje dat halverwege het middelste pootje hangt. Een simpele vinding, maar uiterst effectief. Wie zou er op het idee gekomen zijn? En heet het eigenlijk wel een driepootje? Vast niet. Buitenlui zouden het zomaar kunnen verwarren met allerhande krukjes, statieven of kampeergerei en dan zijn de problemen vast niet te overzien.

Met het sleuteltje doet de vrouw het driepootje omlaag. Het staal stribbelt tegen, en dan ineens geeft het mee. Voorzichtig buigen de drie vierkante pootjes naar de grond. Staal schuift langs staal. De vrouw buigt mee. Hoe verder het staal in elkaar glijdt, hoe strakker de kokerrok om haar heupen spant. Op een paar meter afstand kijkt haar Peugeotje eenzaam toe. Een overvolle sneltram besluit te vertrekken.

Mijn gedachten gaan naar het driepootje dat ik in mijn jeugd elke dag tegenkwam op de weg van huis naar school. De bewoner van het hoekhuis had het op zijn eigen oprit gemaakt. De reden was vooral zijn Fonkelhagelnieuwe Ford Fiesta. De auto was zo nieuw dat onder de metallic blauwe lak een nummerbord van het nieuwe type prijkte, met vier letters en twee cijfers. Iets met D’s en B’s: een novum in de wijk dat diep respect afdwong. Terecht dus dat de eigenaar zijn nieuwe karretje graag op zijn eigen oprit had staan. Hij kon er vast uren naar kijken. Het driepootje leek mij daarom volkomen logisch, al was het een raar gezicht zo op een oprit midden in een jaren ’70-woonwijk.

De vrouw loopt terug en kruipt achter het stuur. In één vloeiende maar rappe beweging draait ze het Franse karretje op zijn plaats. Het linkerachterwiel pikt nog net een randje staal van het liggende driepootje mee. Een hol geluid klinkt. Niemand lijkt zich er druk om te maken. Vanuit de tram zie ik nog net hoe de vrouw het driepootje weer overeind zet. Een onnodige daad, maar het is haar vergeven. De dag is nog lang.

20140709-214246.jpg