Naakt

olifantenpaadje langs de geul

Ik ben een zwartrode gestalte in een groene vlakte. De vlaaien ontwijkend spied ik rond naar voorbijgangers op de dijk. Maar niemand heeft mij verder gezien. Dat gat was duidelijk niet geknipt, maar expres zo gemaakt. Een bordje ‘opengesteld’ hing er natuurlijk niet bij. Maar was duidelijk wel de bedoeling. Al voelt het niet zo. Al voelt het helemaal niet zo.
“Naakt” verder lezen

Gewond

De stad Zwolle is gewond. Puin grind en kiezels liggen ingeklemd tussen de gracht van het centrum en de straten van Assendorp. Op de resten van het oude ziekenhuis verrijzen in grijs gasbeton alweer de contouren van nieuwe woningen. Het Dominicanenklooster kijkt er fier op neer, nog grootser dan vroeger. Wat nog rest zijn de stille getuigen van een halve eeuw ziekenhuis.

Weinig herinnert nog aan de plek van pijn, tranen, geluk, calamiteiten, warmte en zorg die dit geweest is. Op het asfalt van de straten van Groot Weezenland vind je nog in vervallen grijs de letters ‘ambulance’, met een pijl voor linksaf. De loeiende sirenes liggen in nog vers in het geheugen van de geveltjes aan de rechterkant, die het ziekenhuis nog gebouwd zagen worden. Langs de Luttenbergstraat staat nog het zusterhuis. In de gevel prijkt het ingemetselde symbool van barmhartigheid: de samaritaan. De losgehaalde stenen aan de rand van de gestalte verraden een vooronderzoek. Krijgen we de Samaritaan onbeschadigd van zijn plaats?

En vlak bij de wat vervallen parkeerplaats langs de gracht verraadt de bushalte het recente verleden. Een grote bushalte in het niemandsland, zo vlak langs de bruisende binnenstad. Gele neonletters. Veel bussen. Zo veel dat op het vertrouwde gele bord de nummers niet eens meer genoemd staan. “diverse lijnen richting station” staat erop. Dat zal met de volgende aanbesteding vast wel verminderen. En daarboven: Isala klinieken. Een vergeten bushalte met de naam van een afgebroken ziekenhuis. Links van mij de torenspits van de Dominicanenkerk. Rechts de Sassenpoort. Achter mij de eerste prefab contouren van vernieuwing. Het zal niet lang duren totdat deze Zwolse wond geheeld is. De bushalte krijgt dan ongetwijfeld een naam die minder vergankelijk zal zijn, al heeft de tijd daarbij altijd het laatste woord.

Fransoos

En opeens, op een mooie voorjaarsavond in het buitengebied van Zwolle zie je hem staan. Een BX. Een zilvergrijze Citroën BX. Een beetje verscholen onder een flinke eik staat hij te glimmen in het avondlicht. En aan de bloesem op de motorkap te zien staat hij er al een tijdje.

Auto’s raken mij niet, heb ik mijzelf altijd voorgehouden. De autoRAI is voor mij onontgonnen terrein. Bougies, ABS, kleppen of cilinders…het roept niets op bij mij. Een auto is voor mij wat een computer is voor de gemiddelde 70-plusser. Hij moet het doen, en verder wil ik er geen verstand van hebben.

Maar dit, dit is anders. Onder deze eik staat een stukje Frankrijk. Helemaal in Zwolle beland. Een oud zwart nummerbord siert vertederend de voorbumper. Beelden van Parijse steegjes, en klinkende wijnglazen op lange Franse zomeravonden schieten door mijn hoofd en ik moet denken aan mijn grootvader. Begin jaren ’90 kocht hij een witte BX. ‘Een echte Fransoos!’ riep hij toen hij trots over zijn aankoop vertelde. In de nonchalance waarmee hij het uitsprak, kon ik horen dat hij dat vaker had gezegd. Zijn binnenvaartverleden speelde weer even op in dat soort zinnetjes. Een echte Fransoos. Alsof hij over een of andere ingehuurde bootsman had.

Op een najaarsavond liep hij trots naar buiten en liet me de achtersteven van de BX zien. En vooral hoe die kon opstijgen. Ik was niet onder de indruk, want ik was met dat fenomeen al bekend. Mijn meester van groep 6 reed nog rond in een GSA waarmee hij elke ochtend het schoolplein op kwam brullen. En die had ook zo’n stijgende kont. Nooit helemaal begrepen waar het voor nodig was maar mooi was het wel.

Niet veel later was er het auto-ongeluk. Met opa en oma was niets aan de hand, maar de BX was total-loss. Men vond het niet erg. Want zo’n BX, dat was in no time een hopeloos ouderwetse wagen geworden. Ruim twintig jaar later roept de Fransoos alweer nostalgische gevoelens op. Al zit ‘m dat vooral in de zwarte nummerplaat, dat dan weer wel.

Relatief

De Blijhamsterstraat is een smal straatje aan de zuidrand van het centrum van Winschoten en loopt, de naam zegt het al, naar Blijham, een veendorp even verderop. Hoewel Winschoten een bloeiend centrum heeft, schreeuwt de leegstand je hier tegemoet. Er zaten winkels, bovenwoningen. Hier werden verhalen geschreven van nuchtere ondernemers die het Oldambt bedienen. Die bezorgden van Scheemda tot Delfzijl. Er zat een webdesigener (vertrokken). Er zat een stoffeerder (failliet). Hier werd ruzie gemaakt, groeiden kinderen op, werd gelachen, werd geleefd. Wat rest zijn dichtgetimmerde ramen en een enkele passant die de leegstand bewondert of verguist.

Een oma met een kindje passeert mij. ‘ouwe troep! ouwe troep! Ouwe troep!’ roept ze steeds. Haar oma lijkt zich een beetje te generen, maar corrigeert het meisje niet. Verderop, op de hoek bij de torenstraat zitten twee pubers te niksen. De kerel toont zijn ontbloot bovenlijf aan de prille voorjaarszon. Zijn tepelpiercing schittert ervan, maar het maakt geen indruk op het meisje naast hem. Ze staart onafgebroken maar naar zijn scooter. Door dat vehikel ligt de rest van de wereld open. Misschien rijden ze vanavond wel naar Blijham. Of naar Groningen om zich te bezatten op een feest.

Blijhamsterstraat-RosaEverts

Op de Carolieweg is het al niet veel beter, al wordt daar – zowaar – wat nieuws gebouwd. ‘Een aantal panden was zo verouderd dat het maar tegen de vlakte is gegooid. Er was geen beginnen meer aan’ vertelt de barman van de tegenover gelegen kroeg. Er komen nieuwe appartementen in voor jongeren van 18 tot 25 jaar.

Maar Winschoten klaagt niet. ‘Nee, de mensen die klagen, dat is de import’, vertelt de barman. ‘De mensen uit de Randstad enzo. Die klagen. Over leegstand, over geluidoverlast, over krimp. Nee, de mensen hier, die vinden het allemaal best. Wilt u er nog één?’ Met zijn grote lichaam buigt hij over de toog en met een nonachalante beweging vult hij het glas dat prachtig scheef onder de tap hangt. Buiten echoot de kinderstem nog door de Blijhamsterstraat.

Rosa Everts maakt tekeningen van leegstaande panden in Nederland en buitenland. Klik hier voor haar website

Markthal: gat in de markt?

De lege vlakte van de Binnenrotte staart me aan. De markt van Rotterdam is nog verlaten. Het is vrijdagochtend, een uur of negen. De stad verkeert tussen wal en schip. Het verkeer kalmeert, want de ochtendspits is voorbij. Koffertjes en mantelpakjes zitten weer veilig achter glas. Maar het is nog ver voor tienen, dus het alledaagse binnenstadleven moet nog op gang komen. Winkels zijn nog dicht. Op dinsdag en zaterdag vult de markt dit gat. Daar begint de verkoopdag al om een uur of zeven, acht en is om tien uur al menig koffiekan bijgevuld. De markt smeedt de stadsritmes aan elkaar. Als het nachtleven nog volop aan de gang is klinkt al het hout en het ijzer van de opbouw van de kramen. Als het winkelend publiek nog lang niet uitgewinkeld is klinken dezelfde geluiden en houdt de markt het voor gezien. De avondspits pakt het daarna over, om geruisloos over te gaan in het nachtleven. En zo gaat het al jaren. 24-uurseconomie avant la lettre.

Even verderop, net naast de pannendeksel van station Blaak, staat de nieuwe markthal te glimmen in de ochtendzon. In 2014 opende dit prachtig vormgegeven gebouw. Een overdekte markt wordt er overkoepeld door een kleurrijke schildering en appartementen. Ik ken het fenomeen markthal uit Oost-Europa (waarom kennen we dat hier niet?). Meestal is het een oude veehal ergens achteraf waar de vrouwen al vroeg, zo net na de ochtendspits zullen we maar zeggen, in hun dagelijkse inkopen doen voor de maaltijd van die avond. De betreffende gemeente is de marktkooplui tegemoet te komen door hen een permanent dak te geven, zodat de verkoop altijd door kan gaan, weer of geen weer, want de marges zijn niet groot op de markt. De kramen hebben er geen daken van zeildoek, maar verder is alles hetzelfde als op een buitenmarkt. Chaos, schreeuwende mannen, een sensatie van allerlei onbekende geuren. Zakken vol verse kruiden wisselen af met verse kippennageltjes en varkensneuzen waartussen louche types voor weinig geld je telefoon simlockvrij maken.

Hoe anders is dat in Rotterdam. De markthal heeft een glazen wand en een entree met draaideuren waarin een gemiddeld mantelpakje zich prima thuis voelt. Daarachter zijn geen kramen, maar kleine winkeltjes die doen in kleding, tassen en andere luxe goed. De romantiek van houten planken, ijzeren frames en spanbanden ontbreekt. Het zeil zal er niet doorzakken van de regen. De geur van kippennagels en varkensneuzen moet wijken voor verse espresso. Alles is aangeharkt en opgesmukt. Dit is geen markthal, maar een gigantische boetiek. Een shopping mall. Eentje die bovendien pas om tien uur open gaat, zodat het gat tussen ochtendspits en winkeldag een stil moment blijft. Behalve dan op dinsdag en zaterdag, als de kooplui van de echte markt al vroeg de Binnenrotte bevolken.

(Af)waardering

Wie vanuit Amersfoort naar Hoevelaken wil neemt de Hogeweg, een grote doorgaande weg die al in het centrum begint. De gemeente wil de Hogeweg afwaarderen. Bij afwaarderen denk ik aan beursgenoteerde bedrijven en ingewikkelde financiële producten. Maar een weg afwaarderen, dat kan dus ook. Slopen, smaller maken, langzamer maken. Het is iets wat we in Nederland nog steeds niet echt gewend zijn, gewend als we zijn aan groei, groter en meer. Hoewel de afwaardering van wegen al met de aanleg van ons snelwegennet, in de jaren ’60 en ’70 al aan de orde was. Grote provinciale verbindingen, zoals de Zuiderzeestraatweg tussen Amersfoort en Zwolle, werden in één klap teruggebracht tot lokale dorpsweg. De afwaardering als achterkant van de groei.

De Hogeweg in Amersfoort staat aan de vooravond van dit hele gebeuren. Het betere, snellere en grotere ligt verderop: het verkeer van Amersfoort naar Hoevelaken rijdt straks over de Energieweg, een brede vierbaansweg die in een flauwe bocht langs het nieuwe bedrijventerrein de Wieken loopt. Het asfalt zal er gitzwart zijn, de strepen helder wit en het geheel wordt vast en zeker omzoomd met jonge boompjes die nog een extra paal nodig hebben om rechtop te blijven staan. Je moet ergens beginnen als nieuwe weg.

Bedrijven langs de Hogeweg
Bedrijven langs de Hogeweg

Voor de Hogeweg is dat allemaal lang geleden. Het is in de jaren een flinke laan geworden. Hoge bomen flankeren de lijn van de weg. Je ziet paard en wagen er nog zo rijden. Of een oude Ford op een vergeelde foto, waarin dan in ouderwets blokkerig lettertype linksonderin ‘Hoogeweg’ staat. Grote rookpluim. Glimmende kap. Keurig geklede mensen die een ritje maken op zondag. De rust die zo’n foto uitstraalt zou wel weer eens terug kunnen keren als de afwaardering van de weg is uitgevoerd. Minder auto’s. Minder verkeersborden. Misschien zelfs wel een smallere weg.

De boerderijen laten hier en daar een open plek vallen. In het hoge gras staan twee geiten tevreden te herkauwen. Alsof de nieuwe tijd niet op een paar meter voelbaar is. Voor hen is de Hogeweg nog het landweggetje dat het vroeger was, zij zijn zich niet bewust van het grote Amersfoort dat om de hoek blijkt te liggen. Gras is immers gewoon gras en hun uitzicht op het moerasgebiedje Bloeidaal heet rustiek te zijn. Op de achtergrond dreigen de vierkante gebouwen van het bedrijventerrein. Amersfoort lonkt naar dit stukje buitengebied. Toch lijken ook de bedrijven voor te sorteren op de afwaardering: in het dichtstbijzijnde pand is een handelaar in oldtimers gevestigd. Het wordt nog wel eens wat met de Hogeweg.

Als een spiegel van de ziel

Een schuldgevoel bekruipt me als ik tegenover d’Oude Bakkerij in Groningen sta. Het markante pand staat op de kop van de Korreweg in een stukje niemandsland in de Ebbingestraat. Zijn jaren ’70 stijl detoneert flink te midden van de 19e eeuwse straten aan de rand van de Groninger binnenstad. De betonnen dakpannen ademen de sfeer van Bijum, van buitenwijken en moderniteit, van bielzen en van hofjes. De saaie bakstenen worden sinds jaar en dag opgevrolijkt met felgekleurd houtwerk in rood, geel en blauw. Hoe langer ik ernaar kijk, hoe heviger dat schuldgevoel op komt zetten.

Kan men zich schuldig voelen tegenover een gebouw? Men zegt dat oude gebouwen een ziel hebben. In dat geval is een schuldgevoel zomaar mogelijk. Maar een oud gebouw is als een spiegel van de ziel: het is de bewoner die het een ziel toekent, als construct van zijn associaties, gedachten en herinneringen. Dat maakt oude gebouwen eigenlijk altijd interessanter dan pas opgeleverd beton. In prefab huist geen ziel.

Jarenlang fietste ik voorbij het jaren ’70-pand en heb ik me afgevraagd waarom een modern gebouw de naam d’oude bakkerij heeft meegekregen. Een naam als vlag op een modderschuit alsof het kunstmatig een ziel werd toegekend. Een beetje aanstellerig zelfs, met die komma. De aanname is gauw gemaakt. Vroeger een bakkerij. Grote brand in de jaren ’70. Nieuw pand met behoud van de naam want die Oude Bakkerij mag niet verloren gaan.

IMG_1424

Maar ik heb me vergist. Jarenlang was ik afgeleid door de felle kleuren of fietste ik in gedachten voorbij. Jarenlang wilde ik alleen die naam zien en keek ik niet naar het gebouw, niet naar de grote sierlijst langs de dakgoot aan de voorzijde, niet naar de kalkvoegen, niet naar de details boven de ramen op de eerste verdieping, niet naar de kleuren die waren bedoeld om de oude bakkerij aan de nieuwbouw vast te smeden, om het gebouw eenheid te geven. Jarenlang heb ik wel gekeken maar niet gezien. Ik heb dit oude pand jarenlang in gedachten tekort gedaan.

Kan men zich schuldig voelen tegenover een gebouw? Terwijl ik mijmerend de Korreweg oversteek wordt het antwoord mij in de schoot geworpen. Een dame op leeftijd en een jonge studente staan voor het kleurige pand en voeren een keuvelend gesprek tussen de generaties. Dan valt de oudere het jonge meisje bruusk in de rede: “Jij oordeelt al voordat je iets gezien hebt”. Ik krimp ineen en loop door, in de richting van het Noorderstation. De blik van d’Oude Bakkerij prikt in mijn rug. Het pand is voor even de spiegel van mijn ziel. En ik voel me schuldig. Diep schuldig.

Op een stille dijk

Ik draai de dijk op en zet de autoradio uit. De regen klettert op het dak maar in mijn auto kan ik een speld horen vallen. Het komt door de aanblik van het lege landschap. Het grote niets omarmt me, de stilte grijpt me. Ik ben alleen met de vogels, even één met de natuur. De kille, genadeloze dijk laat geen ruimte voor andere toeschouwers. Aan de ene kant het IJsselmeer, waar je met helder weer de vuurtoren van Urk kunt zien. Aan de andere kant het altijd troebele Markermeer. De grote troepen vogels rusten er uit op de kleine meanderende dammetjes van basalt.

Hoe hij heet, daar verschillen de meningen over. De een heeft het over Markerwaarddijk en de ander over Houtribdijk. Onlangs bracht de Flevopost hierover opheldering: de Houtribdijk is het dijklichaam, de waterkering. De Markerwaarddijk is de provinciale weg die over de dijk is heengelegd. Het is een onderscheid dat bij de ambtenaren van de provincie en Rijkswaterstaat nog wel aankomt, maar de volksmond zeker overstijgt. Bij een ongeluk op de dijk rept het filenieuws van ‘dijk Enkhuizen-Lelystad’, wat de discussie direct in perspectief plaatst.

Markerwaarddijk. Hij verwijst naar iets dat er niet is en, zoals het er nu naar uitziet, ook nooit zal komen. De dijk en zijn vorm laat zien hoe het had moeten worden, hoe groot de behoefte aan grootschalige landbouwgrond in de wederopbouwperiode nog was. Wat rest is een dunne streep op de kaart, als stille getuige van het halt dat onze inpolderingsdrift is toegeroepen. De Nederlanders en het water: het kan verkeren.

Eind jaren ’90 was er een kunstproject dat inspeelde op de stilte van de dijk. Kunstenares Moniek Toebosch bedacht een radiozender die alleen maar galmende klanken uitzond. Atonale klanken van hemelse muziek, altijd maar door, tot in het oneindige. De Engelenzender. Op 98.0 FM kwam de zender vanuit Lelystad kraakhelder de auto binnen, zodat er al rijdend door het lege landschap van de dijk en het water een intieme sfeer ontstond in de auto. Omringd door Engelenklanken doorkliefde je het desolate IJsselmeerlandschap, even alles vergetend. Tot de roodwitte borden van de haakse bocht bij Lelystad je in de rauwe werkelijkheid van het verkeer duwden en de stip op de horizon ineens een medeweggebruiker bleek te zijn.

Ach ja, de haakse bocht. Hij is onderdeel van ‘die rare lus bij Lelystad’ die alleen met een luchtfoto erbij uit te leggen is. Al jaren zijn er plannen om hem er uit te halen, zodat het verkeer vanuit Enkhuizen rechtdoor, boven Lelystad langs de polder in kan. Er is een flinke tunnel of een brug voor nodig en een heleboel geld. Maar het zou jammer zijn als de haakse bocht verdwijnt. Die eenzame bocht licht een tipje van de sluier op als het gaat om de contouren van de Markerwaard. Liggend middenin het IJsselmeer vertolkt hij de voortvarendheid waarmee de Flevopolders zijn drooggelegd. En het is tegelijk een beeld van van het voortschrijdend inzicht van de maatschappij dat een rem zette op die voortvarende ingenieurs.

Het engelengezang is inmiddels alweer jaren geleden wegbezuinigd maar die bocht in die stille dijk zal er voorlopig nog wel blijven. Haastige automobilisten zullen er hun dijkrit, dromerig of niet, even voor moeten onderbreken om gas terug te nemen. Het staat symbool voor de rem op onze inpolderingsdrang. Nederland is niet te plannen.

Achterkant van het consumentisme

Ons land gaat gebukt onder uniformiteit. En het gekke is: we vinden het niet eens erg. Het is juist fijn. Gezinnen vinden het fijn om een IKEA in de buurt te hebben, jongeren vinden het fijn om zowel in de Koopgoot als in de Kalverstraat hun favoriete kledingmerk aan te schaffen. Op de parkeerplaatsen langs de snelwegen vinden we overal dezelfde prullenbak en op alle Nederlandse stations kun je zitten op dezelfde bankjes. Zelfs de achterkant van ons uniforme consumentisme is op veel plekken hetzelfde. Afgelopen decennia zijn er overal in Nederland afvalbrengstations verrezen. Her en der vermomd onder minder duidelijke termen als milieustraat, verzamelpunt of milieupark, maar in de kern overal hetzelfde. Het zijn afgelegen plaatsen waar de consument met zijn aanhanger naartoe kan rijden om zich op een verantwoorde manier te ontdoen van zijn afgedankte waar. Schoon, overzichtelijk en netjes.

Afvalproducenten worden hier als consument benaderd, en die moet het zo gemakkelijk mogelijk worden gemaakt. Afval moet schoon en makkelijk zijn. Vroeger parkeerde je de auto met de kont naar de belt om je vuilniszakken te lozen, tegenwoordig is er routeinformatie op het terrein. Het moet klip en klaar zijn waar de argeloze burger zijn overbodigheden ter plaatse precies aflevert. Zo intuitief als de nieuwste smartphone. Het duurt niet lang of in de hoek van het terrein vestigt zich een kleine koffiebar waar je goede capuccino kunt krijgen. Ook recyclen wordt een beleving.

En het is niet één stad waar het toevallig zo gaat. Of je nu naar Dordrecht of Doetinchem gaat, Groningen of Roermond, overal is het waterloo van het consumentisme op grofweg dezelfde manier ingericht. Overal dat opritje naar een betonnen plateau. Overal die diagonaal geplaatste bakken. Overal dat tafeltje voor klein chemisch afval. Overal die aparte container voor matrassen. Gestandaardiseerde vergankelijkheid noemen we dat. Het lijkt het toppunt van beschaving te zijn, ware het niet dat er een volgende stap is: minder weggooien. In die zin staan de vaak sjofele kringloopwinkels nog een treetje hoger. Bovendien kun je daar steeds vaker prima capuccino krijgen.

Tijdsbeeld

Er zit een man in een wasserette. Zijn grijze haren zijn in strengen over zijn hoofd gekamd en een pen ligt in zijn handen. Zijn rug bolt iets op waardoor zo’n typische schrijfhouding ontstaat. Zijn linkerarm mooi gekruld om een ansichtkaart. Een ansicht, zoals zijn generatie die meestal noemt. De wasserette staat in de Amsterdamse Westerstraat, één van de brede slagaders van de Jordaan. In de buurt zijn een bakker, een drogist, een cafe, een galerie, twee stomerijen en een meubelmaker gevestigd. Op het raam van de wasserette staan nog oude letters die vertellen dat hier eerder een handelaar in handtassen gevestigd was.

Wie schrijft er tegenwoordig nog een ansichtkaart? De meeste kaarten die ik krijg zijn door een computer gemaakt. Het is een simpele invuloefening geworden achter het beeldscherm. Facebook herinnert je aan de jarigen. Attent ben je dan met een berichtje. Attenter is het om een papieren kaartje te laten bezorgen en het kost net zoveel moeite. De overtreffende trap is het handgeschreven kaartje – het verjaardagsbezoek laten we maar even buiten beschouwing. De handgeschreven kaart is inmiddels een zeldzaamheid omdat het inspanning vereist. En een klein stukje geduld.

Het geduld waarmee de man in de wasserette zijn gedachten op papier zet is voelbaar. Hij kijkt niet op of om. Hij slaat de tijd van een wasbeurt stuk met het krassen van zijn pen. Er gaat een rust vanuit die alleen nog bij zijn generatie te vinden lijkt. Terwijl ik naar hem kijk stolt de tijd voor een ogenblik. Het herinnert me aan regenachtige zondagmiddagen bij mijn grootouders. De absolute stilte, alleen onderbroken door de tijd: een tikkende klok. Opa en oma lezend in hun vilten leunstoel. De draaiende wasmachine die zachtjes zoemt vanuit de bijkeuken.

Het is een schilderij. Een tijdsbeeld ingeklemd tussen vier kozijnen. Een man aan een grenen tafeltje die de tijd neemt voor een attentie. Twee lange rijen roestvrijstalen wasmachines zorgen met hun lange lijnen voor het benodigde perspectief. De donkere trommels die afsteken tegen het net te felle licht. Zonder die achtergrond zou de man gewoon een man aan een tafeltje zijn. In deze wasserette is hij een anachronisme, een beeld van een tijd die nog net de onze is. De handgeschreven ansichtkaart is al een zeldzaamheid geworden.

Mijn blik gaat door de tegenwoordigheid van de Westerstraat. De slagader van de Jordaan beweegt mee met de tijd. Een meisje wiebelt op een waveboard. Een auto aan een stekker. Een fauteuil die clubchair wordt genoemd. Temidden van dat alles is het heel vanzelfsprekend: een man schrijft een ansichtkaartje in een wasserette. Het kan nog, maar het duurt niet lang meer. Het schilderij van zoëven zal binnen niet al lange tijd alleen nog een tijdsbeeld zijn. Want zo gaat dat met het verstrijken van de tijd: het levert voortdurend nieuwe dingen op om op terug te kijken.