Stoeldraaierstraat

‘Wöllen Sie etwas zu trinken?’ In dapper Duits begint de jonge serveerster over Brötchen en Croissant. Bij het beleg wordt het haar teveel en vraagt ze gauw of de gasten toevallig ook Engels spreken. “Three toppings per person” ‘raw ham’, ‘camembert’, het komt er moeiteloos uit, terwijl haar r op een on-engelse manier van de tong rolt. Een Franse croissanterie waarin Duitse gasten in het Engels geholpen worden: dat is vragen om problemen. En dat alles in de Groningse Stoeldraaierstraat op een gewone doordeweekse morgen.

Het is nog vroeg. Leveranciers rijden af en aan en de zon moet het Groningse plaveisel nog goud kleuren. Ik laat mijn blik langs de panden gaan en denk aan Piet Pellenbarg, de Groningse Hoogleraar economische geografie die de straat eens als voorbeeld nam voor een of ander geografisch verschijnsel. Het enige wat ik me van dat college herinner is de typisch noordelijke manier waarop hij de straatnaam uitsprak. Die vette klemtoon op de oe, die dikke t op het einde. Heerlijk.

Zou Piet Pellenbarg het over de toenemende internationalisering hebben gehad? De toenemende eenvormigheid van de Hollandse en zelfs Europese winkelstraten? Kan zijn. Tegenover croissanterie (let op: geen broodjeszaak) zit een gloednieuwe vestiging van America Today. Verder nog een ‘Leads’, een Travelshop een Golden sleep en kledingwinkel La Ligna. Daar is geen woord Gronings aan. Op de menukaart staat een croque monsieur en geen tosti, ook al zoiets. Toch is de Stoeldraaierstraat niet het beste voorbeeld van de eenheidsworst op winkelgebied. De lokale ondernemers Flokstra en Woldring en de kinderboekhandel houden er sinds jaar en dag de Groningse eer hoog.

‘Gaan we All Stars kopen?’ Een jongetje staat stil en wijst zijn moeder op de gympen in de etalage. ‘Die heb je al schat’. En het duo verdwijnt in de richting van de Vismarkt. Ik kijk ze na en vang nog net een glimp op van Neptunus, fier bovenop de karakteristieke Korenbeurs. Aan de andere kant de Oude Kijk In ’t Jatstraat – ook al zo’n prachtige naam – met op de achtergrond het torentje van het Academiegebouw. Terwijl ik het internationale karakter van de Stoeldraaierstraat overpeins, bedient de serveerster de Duitse gasten met croissants en een kaasplankje. ‘Alstublieft’ zegt ze met een klein Gronings accent. Een bestelbusje van Knols Koek rijdt zachtjes brommend door de straat, ambachtelijke bakkerij sinds 1923. En dan besef ik weer dat een stad als deze zijn wortels nooit zal verloochenen.

2014-08-11T10:00:02+00:0011 augustus 2014|De vooruitgang, Straattheater|

Schaduwzijde van automatisering

Hij is onderweg naar de SOS-paal op het perron: een futuristisch ogende grijze zuil met rode en blauwe knoppen. Hij drukt op een knop en wacht. Het duurt lang. Eenzaam staat hij in de zon terwijl elke paar seconden het geluid klinkt dat om geduld vraagt.
Kaki broek, groene trui, sandalen en een hoedje. De man is zeker achter in de zeventig. Het is zaterdagavond, de zomerzon schittert in het mozaïek van letters die vertellen waar we zijn: station Ommen. Onder het mozaïek domineren de grote rode parasols van het koffiemerk ‘Segafredo’. Aan een tafeltje zit de serveerster voor zich uit te staren. Soms glimlacht ze even.

Geduld, dat heeft de man wel. Rustig kijkt hij om zich heen. Ongetwijfeld denkt hij aan de tijd dat er hier in Ommen nog een loket was, waar je papieren kaartjes kon kopen. En waar je, wanneer je niet precies wist hoe laat jouw trein naar Zwolle vertrok, dat nog gewoon kon vragen aan een vriendelijke meneer met een pet achter dat loket. Maar het loket werd vervangen door een kaartautomaat. En de meneer met pet maakte plaats voor een zuil met drukknoppen. Ach, zo gaan die dingen.

Er is contact.

De man begint in het luchtledige te praten. Hij heeft zijn fototoestel in de trein laten liggen. De damesstem uit de zuil (waarom is dat toch altijd een dame?) rept over een opsporingsformulier dat gedownload kan worden van het internet. “Gedownload?”, haalt de man zijn schouders op. Ook heeft ze het over gevonden voorwerpen in Zwolle en Emmen, de eindstations van dit traject. Spullen blijven daar vijf dagen bewaard, waarna ze naar het ‘Centraal Bureau Gevonden Goed’ in Utrecht vertrekken.

Teleurgesteld schuifelt de man weer over het spoor. Hij passeert de cafetaria die de plaats van het loket in het stationsgebouw heeft ingenomen. De serveerster – nog altijd werkeloos aan haar tafeltje – bekijkt hoe hij haar zaakje nadert. Elk tafeltje heeft ze keurig voorzien van servet, bloemetje en zoutvaatje. Wanneer de man langsloopt, staat ze op en zet ze nog wat bloemstukjes recht. “En, komt uw trein er zo aan, meneer?” De man knikt en groet de dame met zijn hoed. Er schuift een wolk voor de zon aan de roodgekleurde hemel.

Zwolle en Emmen lijken verder weg dan ooit.

Deze column is geredigeerd door Martin Janssen en geplaatst op zijn site Verhalen op het spoor.

Bovenstaande foto van het mozaiek is van E.Wolters zie www.stationsweb.nl.

2014-07-28T10:00:31+00:0028 juli 2014|De vooruitgang|

Gebbetje van beton

Hoe zou het ondertussen in Zoetermeer zijn? De meeste landgenoten zullen er vooral voorbijrijden over de A12. Maar ook op de snelweg is de Haagse slaapstad niet te missen. Zoetermeer heeft namelijk de Nelson Mandelabrug. Een flink gevaarte met veel beton, ronde vormen en een glazen kap, dwars over de snelweg heengelegd. Een brug die wel even indruk maakt. Niet te missen, zo tussen de kassen van Bleiswijk en het Prins Clausplein in, net zoals de man waarnaar hij is vernoemd overigens.

De brug werd aangelegd voor de Floriade van 1992, die toen aan de zuidkant van de A12 was aangelegd. Aan de stadskant lag al een Afrikaweg, dus de keuze voor de Zuidafrikaanse held, die toen pas twee jaar vrij was en volop bouwde aan zijn land, lag voor de hand. Een andere relatie tussen de betonnen ronde vormen en Mandela zelf is er op het eerste gezicht niet, dus ga ik op zoek naar aanwijzingen over de naamgeving. Misschien verbeeldt de brug de gang van de grauwe jaren ’70-samenleving naar het bloemrijke paradijs van de Floriade? In dat geval heeft de brug zijn figuurlijke functie verloren: op het Floriadeterrein is ergens in de jaren ’90 een knots van een woonwijk verrezen: Rokkeveen. Zoetermeer gaat gewoon verder waar het gebleven was, maar dan aan de andere kant van de A12.

Zoetermeer is trouwens niet de enige. In Utrecht heb je ook een Nelson Mandelabrug. In niets lijkt deze op zijn Zoetermeerse collega. Een flets mintgroene ophaalcontructie in de Van Zijstweg, een lelijke verkeersweg achter de Jaarbeurs. Op de brug is het zwart-geel-groen van het ANC aangebracht als een vlaggetje. Daarin de naam van de Afrikaanse leider. Het vloekt bij het mintgroen van het koele staal. Een brug die de status van Mandela eigenlijk niet waard is.

En dan heb je nog de Mandelabrug in Arnhem. Een kloeke brug die je het drukke centrum uit voert en uitzicht biedt op de uiterwaarden van de Rijn. Het serieuze bruggenwerk. Een lange overspanning die het Hollandse rivierenlandschap doorsnijdt, midden in de stad. In Arnhem weten ze wel hoe belangrijk bruggen zijn. Daarmee vergeleken steekt zelfs het Zoetermeerse exemplaar schril af. Bijna grappig met die ronde vormen. Een gebbetje van glas en beton.

Alhoewel, dat Zoetermeerse gebbetje overspant wel ongeveer alle soorten infrastructuur die je kunt verzinnen. Snelweg, spoorlijn, metrolijn, twee stadswegen en een paar slootjes. De brug trekt zich er niets van aan, en gaat overal gewoon overheen. Een verbindende factor in zijn typerende eigen stijl. Een mooiere verwijzing naar Mandela is er volgens mij niet.

20140709-205655.jpg

20140513-073700.jpg

2014-07-14T10:00:59+00:0014 juli 2014|De vooruitgang, Ongepland Nederland|

Tulpen en het poldergevoel

Een winderige voorjaarsdag op de weg naar Elburg. Dit is de polder. Dronten ligt achter me. Een kale poldervlakte strekt zich uit. De tulpen wuiven en de windmolens draaien. De Haringweg en de Hondweg liggen er verlaten bij. Op de Olsterweg rijdt een trekker naar de horizon. De wind waait. De bomen zijn vergeten. De elementen komen op me af. Land. lucht. Voorjaarswind.

Er is iets aan de hand met mijn poldergevoel. Het gevoel van weidsheid. Van ongereptheid. Van alles-is-mogelijk. Het zit ‘m in de tulpen. Die tulpen zijn nieuw voor mij. Ze worden vast al jaren verbouwd, maar ik weet niet beter of er zijn bieten en aardappels in de omgeving van Dronten. Of uien. Die vette polderklei past vooral functioneel gewas. Als je geluk hebt zie je nog ergens een veldje graan. Maar nu: tulpen. In alle kleuren. Niet overal, maar wel veel, door de hele polder heen. Op één of andere manier past dat niet bij de polder. De kleurenpracht heeft iets sjieks. En sjiek, dat is de polder niet. Functioneel is een beter woord. Het poldergevoel is dus even weg. Ik waan me in Lisse of Sassenheim. Wassenaar ligt ineens om de hoek.

De weg maakt een grote bocht naar rechts. Ik moet denken aan de badkuip die hier jarenlang in de akker lag, gebroederlijk naast oude roeiboot die bungelde aan een witte paal. Ernaast grote borden die de boodschap van onze lieve Heer verkondigen. Mochten er mensen zijn die op deze gure vlakte vergeten waren wie de grote baas is, dan werden die er hier wel aan herinnerd. Een klein baken om de kale vlakte te doorbreken. Ook in het nieuwe land, door mensenhanden gemaakt, is de schepping kennelijk een issue en gezien de omstandigheden niet onterecht. Land, lucht en water, de schepping waait recht in je gezicht hier in de polder.

Inmiddels breekt een lange bomenrij de leegte. Een meisje met een rode jas komt me tegemoet fietsten, pal tegen de wind. Ze buigt flink over haar stuur. De open vlakte wacht haar. De windmolens liggen achter me, de bomen wuiven geruisloos. Een rode stip verdwijnt in mijn achteruitkijkspiegel. Het poldergevoel is plots even terug. Dat fietsen in de wind. Dat oneindige lange fietspad. Dat gure, rationele en onvergeeflijke. Dan is er de brug en rijd ik Elburg in, en alles is ineens weer gewoon.

tulpen_flevoland

2014-04-16T10:30:34+00:0016 april 2014|De vooruitgang, Straattheater|

Gezocht: plek voor idealen

Elke stad heeft zijn hangplek. Een smoezelig achterafparkje. Een stukje stad waar niemand zich druk om maakt. Vergeten door beleidsmakers, op zomeravonden ingenomen door jongeren die elkaar wat te vertellen hebben. “Tussenland” wordt het ook wel genoemd. Iedereen heeft wel zo’n plek, een achteraflandje waar je heen ging met vrienden. Om te praten over meisjes. Om samen te drinken, samen te huilen. Het zijn de rafelrandjes, de mooiste stukjes stad.

Amsterdam had de Diemerzeedijk. De achterkant van Amsterdam, met uitzicht op de havens, de flats van Diemen, de energiecentrale en aan de andere kant de havens aan het IJ. De Amsterdamse schrijver Nescio beschreef begin vorige eeuw al, toen al die uitzichten er nog niet waren, het doelloze hangen aan de Diemerzeedijk perfect in zijn boek Titaantjes.

De titaantjes zijn vijf jongens, vol idealen. Ze hangen bij elkaar op een zolderkamertje, in het Sarphatipark, in de Zandvoortse duinen, aan de Diemerzeedijk. Ze steken elkaar de loef af met hun recacitrantie en non-conformisme, maar komen uiteindelijk allemaal keurig terecht. Nescio’s werk is doordrongen van het verzet tegen het conformeren aan de maatschappij. De angst voor de burgerlijkheid die van alle tijden is. De Diemerzeedijk is een van de belangrijkste decors van het boek:

“En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees, die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker wisten nergens van. Die zaten op de stenen onder aan de zeedijk met de ogen half dicht en keken tussen hun oogharen door naar de dansende gouden pijltjes die de zon in ’t water maakte.”

Nescio voltooide zijn Titaantjes in 1914. Honderd jaar later is er veel gebeurd. De Diemerzeedijk werd afgesneden van de stad door het Amsterdam-Rijnkanaal. Het gebiedje werd het een van de smerigste stukjes van Nederland, een vuilstort, het afvalputje van Amsterdam. Vanaf de dijk staar je niet meer over de Zuiderzee, maar op de hippe huizen van IJburg. Gebouwd voor mensen die zich hebben geconformeerd aan de normen van de maatschappij. Je kijkt recht de burgerlijkheid in. De vuilstort werd gesaneerd en het gebied werd omgetoverd tot het keurige Diemerpark. Vanuit Diemen kwam er een slingerende witte brug met ranke pylonen over het Amsterdam-Rijnkanaal: de Nesciobrug. Het Diemerpark werd een park voor de yuppen van IJburg, voor gezinnen met hun Goldenretrievers en jongens van een jaar of twintig. In groepjes, rondhangend aan het water op zoek naar een plek voor hun idealen. Nescio wist het al:

“Het was een wonderlijke tijd. Als ik er even over nadenk, dan moet die tijd nog voortduren, die duurt zolang er jongens van negentien, twintig jaar rondlopen. Maar voor ons is hij lang voorbij”.

Zolang er Titaantjes zijn, zijn er de ongepolijste plekken waar ze hun idealen delen. Het Diemerpark is nu een gepland stukje burgerlijke stad geworden. Nieuw ongepolijst tussenland is weer nodig, en het zal ongetwijfeld gevonden worden. Er is altijd ruimte voor idealen. Die wonderlijke tijd van de titaantjes zal altijd voortduren.

Nesciobrug

2014-03-14T11:30:48+00:0014 maart 2014|De vooruitgang, Ongepland Nederland|

De glans van de historie

Het Malieveld is het mooist is als er niet wordt geprotesteerd. De stilte van de modderige vlakte echoot het protest van een half miljoen landgenoten, leuzen scanderend tegen de kruisraketten, onderwijsvernieuwingen en allerlei andere misstanden. Op de achtergrond ruist het verkeer van de uit de stadswegen ontspruitende A12.

Tussen het Malieveld en het Centraal Station ligt een uitloper van het Haagse Bos, de Koekamp. De kleinschaligheid van het park contrasteert met zijn grote buurmannen, het Malieveld en het Centraal Station. Vijvers, veldjes en slingerende paden wisselen elkaar af. Vroeger was de Koekamp ‘buiten’ voor de Hagenezen. Het werd door de graven van Holland gebruikt voor de jacht. Nu is het een stadsparkje dat vooral bedoeld lijkt voor voorbijgangers die zich van en naar het station bewegen. Ik ben zo’ n voorbijganger. Over knisperend grind gaat mijn weg noordwaarts, richting de stilte van het Malieveld.

Op de Koekamp staat een boom. Om precies te zijn: een oude Paardekastanje. Kaal vanwege het winterse seizoen is de omvang van zijn kruin in volle glorie te bewonderen. Toch gauw een meter of twintig. Dat een boom zonder bloesem en bladeren al zo indrukwekkend kan zijn. Gezien de dikte van stam, toch minstens een meter, moet deze jongen de tijd van de runderen en jagende graven van Holland nog hebben meegemaakt.

Bij bomen vraag ik me altijd af wat ze in hun lange leven al hebben gezien. Als een stille getuige slaat deze Paardekastanje al tientallen jaren de Haagse vooruitgang gade, vanaf zijn stek op de Koekamp. De bouw van de ministeries in de jaren ’90, de bouw van het centraal station in de jaren ’70, de aanleg van de A12, de bouw van het provinciehuis. En natuurlijk de eindeloze stromen voorbijgangers, stelletjes, zakenmannen, ambtenaren, expats, Hagenezen en Hagenaars, en de slierten van ontevreden landgenoten van en naar het Malieveld. Jarenlang het gegons van het Malieveld. Ontelbare leuzen tegen allerlei onrecht hoorde deze boom vanaf zijn stek op de Koekamp.

Niets is minder waar. Deze boom staat hier pas een jaar of vijftien. Hij heeft altijd een meter of 80 verderop gestaan, maar moest wijken voor de Koningstunnel die eind jaren ’90 werd aangelegd. De verplaatsing van de boom werd een indrukwekkende onderneming die in het Guiness Book of Records terecht kwam. Een enorme sleuf werd gegraven waardoor het groene gevaarte met wortels en al werd getrokken naar zijn nieuwe plek. En met succes, want inmiddels is het wortelstelsel al verdrievoudigd, vertelt de site van het bedrijf dat de klus klaarde.

Tsja.

Niets is wat het lijkt. Zelfs een eeuwenoude boom blijkt een illusie. Ik kijk nog eens naar de kolossale kruin. Het blijft toch een verrekt mooie Paardekastanje. Een wonderlijk staaltje schepping. Maar de glans van de historie is er wel vanaf.

In gedachten vervolg ik mijn weg. De stilte van het Malieveld roept. De graven van Holland zijn gauw vergeten.

20140127-080327.jpg

2014-02-03T10:43:42+00:003 februari 2014|De vooruitgang|

Rusland in Nederland

Voor mooie namen moet je in Drenthe zijn. Ruinen bijvoorbeeld. Prachtige naam. Doet meteen denken aan landerijen, bosranden en knisperende fietspaden. En wat te denken van het Dwingelderveld, met vlakbij het buurtschap Lhee? Je wilt het liefst in de auto springen en erheen rijden. Proeven hoe de krentenbollen van de lokale bakker smaken. Een krant kopen in Dwingeloo. Je weet wel.

De veenontginning heeft ook mooie namen opgeleverd. Hoekige namen, tijdens de ontginning ter plekke gegeven door de opzichter van dienst, die ook niet wist hoe die boederijen verderop in het veld heetten. Zo kon het gebeuren dat een gehucht ineens Pesse of Zwartschaap genoemd werd. Of Nieuw Moscou. Of Siberië, want ook in Drenthe was diepdonkerrood de kleur van de veenarbeiders en bovendien waren de omstandigheden allerminst om over naar huis te schrijven.

Nieuw Moscou. Een gehucht, zes boerderijen onder de rook van Hollandscheveld. Naar verluid kwam er een Rus wonen die er een nieuw leven wilde opbouwen en zo kwam het aan zijn naam. Hoe zou het er zijn? Zou Lenin er nog op de schoorsteenmantel staan? En dan Siberië. Ik was ooit met mijn vader in Siberië. We reden door Drenthe en fietsten de dorpen aan elkaar als kralen aan een ketting. Koekange. Nieuw Balinge. Geesbrug. Zwinderen. Dorpen met zingende namen.

We kwamen van Pesse en de Boerenveensche plassen. Links van ons de rookpluimen van de VAM en rechts de industrie van Hoogeveen. Siberië lag op onze route, de weg tussen Stuifzand en Tiendeveen. Een straatnaambordje was niet te vinden. Het enige dat wij hadden was een kaart met een klein slingerend weggetje erop. Is dat de weg naar Tiendeveen en Nieuw Balinge?

De man die wij de weg vroegen, was oud en leek nergens heen te gaan. Midden in het open veld bleef hij staan om ons op te wachten. Ondanks de warmte droeg hij een pet, zo’n boerenpet die pas de kop opduikt als je ver voorbij Amersfoort de Randstad uit bent. Zo één die daarom af en toe helemaal hip is. Ik moet opeens aan Giel Beelen denken die in zijn eentje die pet weer cultiveerde.

Slechts één weg waren wij van Tiendeveen verwijderd. ‘Maar het is een weg die nogal bochtig is’, riep de man. We bedankten hem en sloegen ferm linksaf. Tiendeveen lonkte. We namen de eerste bocht en het voelde heerlijk. Soms is een bochtige weg precies wat je nodig hebt om verder te komen.

20131010-212829.jpg

2013-10-14T10:00:41+00:0014 oktober 2013|De vooruitgang, Straattheater|

Berlicum

Op het Mercuriusplein in Berlicum is het een drukte van belang. Het is zaterdagmorgen, Berlicum doet boodschappen. Het plein staat vol met auto’s, glanzend in de zon. Een bescheiden carillon in de hoek. Daarachter het geel van de Jumbo. Logisch. Veghel, waar het hoofdkantoor van de goedkoopste van Nederland staat, ligt om de hoek. Hier verwacht je in elk dorp met een kerk ook een gele supermarkt.

Toch is niets wat het lijkt. Dagelijks scheuren tientallen vrachtwagens de N279 af, vanuit Veghel langs Heeswijk, Middelrode en Berlicum op weg naar Den Bosch, naar de A2. Naar de Randstad. De Brabantse familiebedrijf wordt groter en groter. Tot aan de Waddeneilanden toe prijkt het geel langs straten en pleinen. En het lijkt niet te stoppen nu ook C1000 is overgenomen.

Maar pas sinds kort slaat er één vrachtwagen van de N279 rechtsaf om de Jumbo aan het Mercuriusplein te bevoorraden. Pas geleden was dit nog een Super de Boer, het merk dat inmiddels ter ziele is, zoals inmiddels alle supermarkten van Laurus. Ach ja, Laurus. Het rood van de Edah. Het groen van de Konmar. De supermarktoorlog. Dat waren nog eens tijden.

Terug naar Berlicum. Rondom de Jumbo zitten kleine winkels van het traditionele soort. Berlicum is zo’n dorp waar de lokale middenstand nog weet te overleven, tegen beter weten in. Voor de worst gaan de Balkumers, want zo heten de mensen hier, naar Keurslager Reinier Hol. Voor een nieuwe broek naar De Graaf, voor het fruit naar Versendaal. Den Bosch is verder weg dan ooit.

Voor slagerij Hol staat een beeld: het Boerke van Balkum. Een klein gedrongen mannetje met een pet. Een mènneke. Het boerke is een geschenk van bedrijfsleven en inwoners staat er op de plaquette. Een kado van Balkum voor Balkum. Men vond gewoon dat een beeld op deze plek niet zou misstaan. Een beeld dat de ‘lokale identiteit’ moest verbeelden, zoals beleidsmakers dat zo mooi kunnen zeggen. De Balkumers kozen voor een boerke. Een simpel mènneke dat doet denken aan vroeger, toen Brabanders en boeren nog synoniemen waren.

Hij leunt een tikje achterover, in een houding alsof hij elk moment met zijn duimen zijn bretels kan laten springen. Voor zijn bierbuik houdt hij een schop. Één hand nonchalant in de broekzak. Het boerke staart glazig voor zich uit, alsof de landerijen nog voor ‘m liggen. Ik wacht tot hij in plat Brabants een opmerking over het weer zal maken. Ik draai me om om te zien waar het boerke heenkijkt. Het is de ingang van de Jumbo.

20131007-095845.jpg

2013-10-07T09:52:48+00:007 oktober 2013|De vooruitgang|

Permanente documentaire

Sommige ouderen kunnen gewoon heel goed achter de geraniums zitten. In Lelystad woonde zo’n man. Hij zat elke dag in zijn eiken leunstoel achter zijn geraniums en had er de grootste lol in. Zijn wangen waren ingevallen en in zijn mondhoek zat een sigaretje, zodat het leek alsof zijn onderkaak los van zijn gezicht hing, zoals de balkonmannetjes van de muppets. Zo’n man. Altijd als ik hem zag had hij een lach op zijn gezicht. Het was mij een raadsel hoe dat sigaretje het volhield.

Hij woonde in de Kempenaar, een wijk in Lelystad met bijna alleen maar laagbouw in beton en rode baksteen. Een echte volkswijk die in de zomer oranje en met de jaarwisseling donkerrood kleurt. De woonblokken staan er haaks op elkaar in het gelid en de wegen slingeren er doorheen, afgewisseld met pleintjes en veel groen. Een aantal jaren terug is alle rode baksteen gestuukt in pasteltinten, wat het jaren ’70-karakter van de wijk moet verbloemen, en dat is wonderwel gelukt. Als het Hollandse groen niet zo zou domineren, heeft het wel iets Zuid-Europees. Portugal in de polder.

Goed. De man woonde in een hoekhuis en langs zijn huis liep een doorgaand fietspad waar ik als scholier elke dag langsfietste. Hij viel op want hij zat er altijd en op een dag groette ik hem. Zomaar. Ik kreeg een vrolijke zwaai terug. Sinds die dag zwaaide ik altijd. Hij zat er ook altijd. En als hij er niet zat, was hij ongetwijfeld even een te sterke koffie aan het inschenken, of was het net even tijd voor het toilet. Kortom: je kon van de man opaan. Zijn raam leek wel een televisie met een documentaire over bejaardenzorg in Nederland met het beeld permanent op pauze. Ook het zitten achter geraniums kan men onder de knie krijgen.

Op een dag liet de man verstek gaan. En de volgende dag ook. En een week later ook. Ik begreep dat de man vertrokken was, naar een bejaardencentrum of de eeuwige geraniums. De documentaire waar ik een aantal jaar naar gekeken had, was voorbij. Even later maakte het decor van geraniums plaats voor plakplastic op ooghoogte. Want er zou wel eens iemand naar binnen kunnen kijken.

 

Geraniums
2013-07-22T14:16:46+00:0022 juli 2013|De vooruitgang|

Onder de rook van Alkmaar

‘Het wordt steeds gekker,’ zei de waard, ‘ze verzinnen steeds weer iets nieuws’. Hij zit onderuitgezakt aan één van de eikenhouten tafeltjes van café het Schermer Wapen, in Stompetoren.

Mooi dorp, Stompetoren. Het ligt midden in de Schermer, één van de Hollandse droogmakerijen, vlakbij grote broer Beemster, bekend van Unesco en de kaas.
Een kruising vormt het hart van het dorp. De Oterlekerweg komt hier uit op de Noordervaart. Linksaf Grootschermer, rechtsaf Zuidschermer. Een kaarsrechte weg begeleidt het strakke silhouet van de Noordervaart. Eenvoud alom. Al is de droogmakerij inmiddels bijna vierhonderd jaar oud, dit landschap kan zijn menselijke oorsprong nog steeds niet verbloemen.

Recht vooruit ligt de kerk waarvan inderdaad de torenspits ontbreekt. Er omheen een bescheiden begraafplaats, zoals het hoort. Op een steenworp afstand ligt het Schermer Wapen. Een fors boerderijachtig gebouw, met een grote blauwwitte R op het dak. Het doet een beetje denken aan de AC-restaurants, maar dan authentieker. Twee blauwe klompjes sieren het wapen: ‘sinds 1966’.

De waard vertelt over zijn uitspanning, over de kuikens die hij achterin zijn zaak heeft staan en over het dorp dat letterlijk onder de rook van Alkmaar ligt. Dat komt door de grote vuilverbrandingsinstallatie, een groot rood gebouw aan de rand van de polder.
‘Hier wordt afval vanuit heel Nederland verbrand, dat ze per schip over het Noord-Hollands Kanaal hierheen brengen. En nu halen ze het ook al uit Engeland. Kennelijk is dat goedkoper. Zelfs het afval wordt internationaal. En ondertussen proberen we met z’n allen het land een beetje duurzamer te krijgen’. De beste man wil niet klagen, maar toch.

Ik rijd terug richting Alkmaar en draai de ring op. De weg slingert door de industrie van Alkmaar. Aan de linkerkant steekt de grote pluim van de vuilverbranding fel af tegen de azuurblauwe en oranje lucht. Rechts een ‘business centre’ en een KFC, gevolgd door een McDonalds en een gebouw van AGU, u weet wel, van de wielrenbroekjes. Dan machtig, groot en rood: het AZ-stadion, waar allang geen jongens uit alleen Alkmaar, Zaandam, of Stompetoren meer voetballen. Een klein stukje rijden op de N242 en de internationalisering vliegt je om de oren.

De zon is een grote oranje bal geworden, en het avondlicht kleurt het asfalt oranje. Al die internationale bedrijvigheid passerend, denk ik nog eens aan wat de waard van het Schermer Wapen net zei. Engels afval. En we proberen met z’n allen het land een beetje duurzamer te krijgen. En hoewel HVC ongetwijfeld een duurzaam bedrijf is en het vast op één of andere manier slim is om Engels afval te importeren, staat het me tegen.

De HVC-Alkmaar - foto: © Peterbijkerk.eufoto: © Peterbijkerk.eu

2013-07-02T08:15:26+00:002 juli 2013|De vooruitgang|