Naakt

olifantenpaadje langs de geul

Ik ben een zwartrode gestalte in een groene vlakte. De vlaaien ontwijkend spied ik rond naar voorbijgangers op de dijk. Maar niemand heeft mij verder gezien. Dat gat was duidelijk niet geknipt, maar expres zo gemaakt. Een bordje ‘opengesteld’ hing er natuurlijk niet bij. Maar was duidelijk wel de bedoeling. Al voelt het niet zo. Al voelt het helemaal niet zo.
“Naakt” verder lezen

Dat het weer licht wordt

De ochtend is terug van weggeweest. Het ochtendgloren is weer vroeger dan anders en ligt weer binnen handbereik. Even is het weer half september. De delen van mijn forensenreis die donker waren, staan weer in het licht. Ik kan het trottoir weer van de straat onderscheiden en de zon komt op een hele andere plaats op. De sporen bij station Zwolle zijn weer goudgerand. Achter het stuur kan de zonnebril weer op, vooral voor die ene bocht, waarin de snelweg net even naar het zuidoosten draait. De ochtendspits bij daglicht. Ik was ‘m al even vergeten.

Het is die ene maandagochtend aan het einde van oktober. Dat moment dat een paar weken later alweer teniet wordt gedaan door het korten van de dagen. Dat moment waarop de natuur het voor even gewonnen heeft van de klok. Dat moment in het najaar waarin iedereen toch even ontregeld is, hoe minimaal de aanpassingen ook zijn. Dat moment dat het weer licht wordt.

foto: Luken Hulsker 2016

Jane Jacobs in Apeldoorn

Er is niemand op straat in het Boomblauwtje. Het is twaalf uur ’s middags in Zuidbroek, Apeldoorn. De witte muren nog fris van de oplevering, pikzwarte leistenen daken in scherpe punten. Af en toe steekt één puntdak eigenwijs af tegen het lange zadeldak. Spontane architectuur: we smullen ervan tegenwoordig. Weg met de eenvormigheid. Leve de afwijking!

De achtertuinen grenzen aan een enorme binnenplaats, waar ook de parkeerplaatsen zijn en een kleine speeltuin. De woningen liggen met hun rug naar elkaar toe. Zo kijk je niet bij elkaar naar binnen, maar is er wel ruimte voor ontmoeting. Spelende kinderen. Spontaniteit. Touwtjes in de brievenbus zijn niet nodig. Buren bereiken elkaar langs de achterkant, en de achterdeur is natuurlijk altijd open.

De woorden van oerplanologe Jane Jacobs komen boven: ‘a neighbourhood needs eyes on the street’ (Death and life of great American cities, 1961). Zij pleitte voor functiemenging, zodat er altijd mensen op straat zijn. Leven, op elk moment van de dag. Dagritmes die door elkaar lopen, zorgend voor dynamiek in de stad, een oogje in het zeil. Dat is in het Boomblauwtje wel anders. Het ‘oogje’ gaat niet naar binnenplaats, maar naar de buitenkant van de woonblokken, waar de voorgevels langs smalle wandelpaadjes kijken op een verlaten grasveldje met een door brandnetels overwoekerd bankje.

Klimops zorgt voor een lange groene muur tussen achtertuinen en binnenplaats. De schuttingen fris op de perceelsgrenzen. De vuilnisbakken netjes achter houten deurtjes weggewerkt. Design-lantaarnpalen die de aangeharkte centrale gemeentetuin omzomen. Een zwervend kinderfietsje is het enige dat erop wijst dat er ook wordt gelééfd in deze Funda-brochure. Hoe lang zou het er al liggen? 

De dagritmes van de tientallen gezinnen van het Boomblauwtje lopen ‘in fase’. Om zeven uur collectief onder de douche, om acht uur collectief op de snelweg. Om zes uur aan tafel. Hier wordt alleen ’s avonds en in het weekend geleefd, en dan vooral tussen de eigen vier muren, rug aan rug. Iedereen aan het werk, iedereen naar school. Iedereen hetzelfde ritme, iedereen hetzelfde leien dakje. Althans, zo lijkt het.

Op de brug over de IJssel

Ik ben een passant op de IJsselbrug, de nieuwe rode Hanzeboog, die sierlijk en fel het zomerse palet van groen en blauw doorsnijdt. Ik zie het kleine veer vanuit Hattem behoedzaam draaien om stroomopwaarts aan te kunnen leggen. Ik zie het geweld van graafmachines, die stukje bij beetje de nieuwe contouren van de Buitenwaarden prijsgeven: nevengeulen, modderpoelen, kades en graslanden. Ik hoor het zoeven van de auto’s en treinen over oude en nieuwe bruggen van staal en beton. Het water, die grens van weleer, heeft voor hen geen betekenis meer. Ik zie de koeien uit de landschappen van Voerman, kalm kauwend met hun blik op de oneindige uiterwaard, zonder enig benul van de wereld achter de dijken. Ik zie de zondagse recreanten fietsend in optocht over de dijk naar dorpen als Schelle en Oldeneel. Ik zie de masten van de bootjes gedwee zij aan zij in de haven van Hattem met op de achtergrond de karakteristieke kerktoren. En te midden van dat alles, machtig en groot, zie ik de rivier langzaam de bocht nemen om de Hoenwaard, kalm kabbelend de oude zandwinput passerend, om verder te reizen naar Katerveer, Kampen en Keteldiep.

Die brede rivier die traag door oneindig laagland gaat. Die onzichtbare rivier met zijn brede uiterwaarden,nevengeulen, ooibossen en graslanden. Die meanderende rivier die Hollandse Hanzesteden verbindt en een grens vormt voor iedereen voor wie ramen en deuren los zijn in plaats van open. Die dreigende rivier die ‘s winters klotsend aan de kades van Deventer en Kampen staat. Die verwoestende rivier die elk jaar de modder, strootjes, het gras, het afval en wat niet al in de afrasteringen op de uiterwaard achterlaat, de sporen van de allesverzwelgende kracht van het water. Die troostende rivier die er altijd is om uit te waaien, geruststellend constant. Die rivier die altijd komt en altijd gaat.

Dat is mijn rivier.

Gebbetje van beton

Hoe zou het ondertussen in Zoetermeer zijn? De meeste landgenoten zullen er vooral voorbijrijden over de A12. Maar ook op de snelweg is de Haagse slaapstad niet te missen. Zoetermeer heeft namelijk de Nelson Mandelabrug. Een flink gevaarte met veel beton, ronde vormen en een glazen kap, dwars over de snelweg heengelegd. Een brug die wel even indruk maakt. Niet te missen, zo tussen de kassen van Bleiswijk en het Prins Clausplein in, net zoals de man waarnaar hij is vernoemd overigens.

De brug werd aangelegd voor de Floriade van 1992, die toen aan de zuidkant van de A12 was aangelegd. Aan de stadskant lag al een Afrikaweg, dus de keuze voor de Zuidafrikaanse held, die toen pas twee jaar vrij was en volop bouwde aan zijn land, lag voor de hand. Een andere relatie tussen de betonnen ronde vormen en Mandela zelf is er op het eerste gezicht niet, dus ga ik op zoek naar aanwijzingen over de naamgeving. Misschien verbeeldt de brug de gang van de grauwe jaren ’70-samenleving naar het bloemrijke paradijs van de Floriade? In dat geval heeft de brug zijn figuurlijke functie verloren: op het Floriadeterrein is ergens in de jaren ’90 een knots van een woonwijk verrezen: Rokkeveen. Zoetermeer gaat gewoon verder waar het gebleven was, maar dan aan de andere kant van de A12.

Zoetermeer is trouwens niet de enige. In Utrecht heb je ook een Nelson Mandelabrug. In niets lijkt deze op zijn Zoetermeerse collega. Een flets mintgroene ophaalcontructie in de Van Zijstweg, een lelijke verkeersweg achter de Jaarbeurs. Op de brug is het zwart-geel-groen van het ANC aangebracht als een vlaggetje. Daarin de naam van de Afrikaanse leider. Het vloekt bij het mintgroen van het koele staal. Een brug die de status van Mandela eigenlijk niet waard is.

En dan heb je nog de Mandelabrug in Arnhem. Een kloeke brug die je het drukke centrum uit voert en uitzicht biedt op de uiterwaarden van de Rijn. Het serieuze bruggenwerk. Een lange overspanning die het Hollandse rivierenlandschap doorsnijdt, midden in de stad. In Arnhem weten ze wel hoe belangrijk bruggen zijn. Daarmee vergeleken steekt zelfs het Zoetermeerse exemplaar schril af. Bijna grappig met die ronde vormen. Een gebbetje van glas en beton.

Alhoewel, dat Zoetermeerse gebbetje overspant wel ongeveer alle soorten infrastructuur die je kunt verzinnen. Snelweg, spoorlijn, metrolijn, twee stadswegen en een paar slootjes. De brug trekt zich er niets van aan, en gaat overal gewoon overheen. Een verbindende factor in zijn typerende eigen stijl. Een mooiere verwijzing naar Mandela is er volgens mij niet.

20140709-205655.jpg

20140513-073700.jpg

Hansje Brinker-kerk

De Lek stroomt van niks naar nergens. Het heeft geen fatsoenlijk begin en geen einde. Ergens onder Utrecht wordt de Neder-Rijn de Lek. Bij Kinderdijk neemt de Nieuwe Maas het geruisloos over. Geen monding. Niks. Gewoon iets administratiefs. Zelfde water. Zelfde kant.

Lexmond. Jarenlang voorbij gereden over de A27, nooit geweest. Een opvallende naam, die de monding van de Lek suggereert. Maar de naam blijkt niet van de Lek te komen, maar van een veel kleiner riviertje, de Laak, dat uitkwam op de Lek. Lexmond komt dus van Laaksmond. Niets is wat het lijkt, zo blijkt maar weer. Een straat in het dorp is nog naar het veenstroompje genoemd. De Laak gaat over in de Dorpsstraat. Aldaar een kerk, dorpscafé, bakker en slager. Niets bijzonders.

Goed. Vanuit Lexmond gaat het in één adem verder, de dijk op. Hier heerst de Hollandse romantiek van het rivierenlandschap. Er is geen recht stuk dijk te bekennen. Wilgen in het water. Achthoven, de A27 zoemt zachtjes. Ameide glijdt voorbij. De dijk is hier weer rechter. Er komt weer ruimte om de omgeving eens goed op te snuiven. En net als de aandacht verslapt maakt de dijk een scherpe bocht naar rechts.

Het is de Hervormde kerk van Tienhoven waarvoor de dijk moet wijken. Was ik rechtdoor gereden, had ik zo het koor van de kerk in gereden, zo strak staat de gevel tegen het dijktalud. Het lijkt alsof de kerk hier de plaats van de dijk heeft ingenomen, zo prominent staat hij in de weg. Alsof het geloof op deze plek voldoende is in de strijd tegen het water.

Niets is minder waar. De calvinistische Hollanders zijn altijd nuchter gebleven, zeker als het om bescherming van de polders gaat. De fundering van de kerk blijkt inmiddels onderdeel geworden van de dijk, en houdt grondwaterstroming onder dijk tegen. De kerk als technische oplossing tegen het hoge water. Calvijn moest eens weten.

Maar toch moet het kerkje eraan geloven. Ook hier wordt de dijk keer op keer versterkt en verhoogd. De dijk omarmt het kerkje steeds inniger. De gelovigen kunnen niet meer om de door mensenhanden gemaakte dijk heen. Als kerkgangers verwachten alleen het Goddelijke uitspansel te zien door de linkerramen, zal het ze tegenvallen. Ze kunnen de spaken van de zondagse fietsers tellen, zo dicht staan de ramen inmiddels op het asfalt.

Het Hollandse calvinisme en de strijd tegen het water. Het is altijd een goede combinatie gebleken. Kun je niet tegen je vijand op, werk dan met hem samen, dat is wat het Tienhovense kerkje lijkt te zeggen. De kerk als een soort Hansje Brinker die met zijn fundering het wassende water helpt te keren. En dat allemaal vanwege een rivier die van niets naar nergens stroomt, zo even buiten Lexmond.

Gezocht: plek voor idealen

Elke stad heeft zijn hangplek. Een smoezelig achterafparkje. Een stukje stad waar niemand zich druk om maakt. Vergeten door beleidsmakers, op zomeravonden ingenomen door jongeren die elkaar wat te vertellen hebben. “Tussenland” wordt het ook wel genoemd. Iedereen heeft wel zo’n plek, een achteraflandje waar je heen ging met vrienden. Om te praten over meisjes. Om samen te drinken, samen te huilen. Het zijn de rafelrandjes, de mooiste stukjes stad.

Amsterdam had de Diemerzeedijk. De achterkant van Amsterdam, met uitzicht op de havens, de flats van Diemen, de energiecentrale en aan de andere kant de havens aan het IJ. De Amsterdamse schrijver Nescio beschreef begin vorige eeuw al, toen al die uitzichten er nog niet waren, het doelloze hangen aan de Diemerzeedijk perfect in zijn boek Titaantjes.

De titaantjes zijn vijf jongens, vol idealen. Ze hangen bij elkaar op een zolderkamertje, in het Sarphatipark, in de Zandvoortse duinen, aan de Diemerzeedijk. Ze steken elkaar de loef af met hun recacitrantie en non-conformisme, maar komen uiteindelijk allemaal keurig terecht. Nescio’s werk is doordrongen van het verzet tegen het conformeren aan de maatschappij. De angst voor de burgerlijkheid die van alle tijden is. De Diemerzeedijk is een van de belangrijkste decors van het boek:

“En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees, die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker wisten nergens van. Die zaten op de stenen onder aan de zeedijk met de ogen half dicht en keken tussen hun oogharen door naar de dansende gouden pijltjes die de zon in ‘t water maakte.”

Nescio voltooide zijn Titaantjes in 1914. Honderd jaar later is er veel gebeurd. De Diemerzeedijk werd afgesneden van de stad door het Amsterdam-Rijnkanaal. Het gebiedje werd het een van de smerigste stukjes van Nederland, een vuilstort, het afvalputje van Amsterdam. Vanaf de dijk staar je niet meer over de Zuiderzee, maar op de hippe huizen van IJburg. Gebouwd voor mensen die zich hebben geconformeerd aan de normen van de maatschappij. Je kijkt recht de burgerlijkheid in. De vuilstort werd gesaneerd en het gebied werd omgetoverd tot het keurige Diemerpark. Vanuit Diemen kwam er een slingerende witte brug met ranke pylonen over het Amsterdam-Rijnkanaal: de Nesciobrug. Het Diemerpark werd een park voor de yuppen van IJburg, voor gezinnen met hun Goldenretrievers en jongens van een jaar of twintig. In groepjes, rondhangend aan het water op zoek naar een plek voor hun idealen. Nescio wist het al:

“Het was een wonderlijke tijd. Als ik er even over nadenk, dan moet die tijd nog voortduren, die duurt zolang er jongens van negentien, twintig jaar rondlopen. Maar voor ons is hij lang voorbij”.

Zolang er Titaantjes zijn, zijn er de ongepolijste plekken waar ze hun idealen delen. Het Diemerpark is nu een gepland stukje burgerlijke stad geworden. Nieuw ongepolijst tussenland is weer nodig, en het zal ongetwijfeld gevonden worden. Er is altijd ruimte voor idealen. Die wonderlijke tijd van de titaantjes zal altijd voortduren.

Nesciobrug

Kantorenbubbel

Het centraal station van Amersfoort ligt niet centraal, integendeel. Het ligt een eindje buiten het centrum, en al helemaal niet midden in de stad. Daarom heet station Amersfoort ook gewoon Amersfoort, en niet Amersfoort Centraal. Met die gedachte kom ik aan op het Amersfoortse station en loop ik de stationsstraat op, richting het centrum.

Station. Stationsstraat. Centrum. Zo zou het in elke Hollandse stad kunnen gaan. Het is woensdagochtend, halftien en ik steek bij de stoplichten over. Niemand te zien. De stoplichten zijn meisjes hier, net zoals de stoplichten in Berlijn hoedjes op hebben. Maar er is niemand om ze te bekijken. Dit in tegenstelling tot de Duitse hoofdstad.

Het gebied achter de stoplichten is leeg en staat vol kantoren. KPN, Akzo, PriceWaterhouseCoopers, BMC, FrieslandCampina, Agis. Bedrijven die dwepen met de goede bereikbaarheid van Amersfoort per spoor. Vijf, zes bouwlagen hoog, de ramen glanzen in de zon. Aan de overkant staan nog een rijtje oude herenhuizen. Met op de hoeken café Terminus de Onthaasting en café Te Pas. kneuterigheid tegenover de kolossen. Een groter contrast kan bijna niet.

Auto’s trekken ongeduldig op, een eenzame fietser verdwijnt om de hoek. Het is ongewoon stil, zo middenin de stad. Maar stilte blijkt een relatief begrip te zijn. Achter de kantoren denderen de intercity’s voorbij en af en toe komt er een auto of bus voorbij. Waarom denk ik dan aan stilte? Het komt door de verlaten atmosfeer. Halftien, het zakenleven vergadert. Niemand hoeft bij die kantoren te zijn of komt er vandaan. Ik heb het trottoir voor mezelf, en dat is ook wel eens lekker. Al heeft deze eenzaamheid ook iets angstaanjagends. Alsof ik in een stad wandel waar het luchtalarm zonet is afgegaan.

De vloek wordt verbroken. Bij het kantoor van Agis komen twee mannen naar buiten, beide strak in pak. Onder de luifel van het gebouw genieten de mannen van de schaduw en hun sigaretje. De twee beginnen een gesprek zoals alleen rokende collega’s dat kunnen. Praten over niets. De één steekt nog een tweede sigaret op, de nieuwe aanstekend met zijn nagloeiende peuk. De ander spuugt eens goed op de grond. De klodder wiebelt in de warme lucht voordat hij op het grijze beton landt. Ik kan het bijna horen vallen. Even verderop, bij drukkerij Engel verdwijnt de weg de hoek om. Erachter raast het verkeer over de Amersfoortse centrumring. Daar draait de wereld gewoon door.

Amersfoort_stationsstraat

© Carl030nl (Panoramio)

Ameland

Waar begint Ameland? Zo’n vraag komt in mij op als ik over de A32 naar het noorden rijd. Voorbij Heerenveen wordt het snel drukker. Ineens is daar het bord met Werpsterhoek erop. Leeuwarden kondigt zich aan. Vlak daarvoor, bij net zo’n blauw bord begint Ameland.
“Ameland volg Stiens”.
Friese poëzie.

Vervolgens is het nog een heel eind. Door Leeuwarden, over het immens lelijke Europaplein, en verderop linksaf naar en langs Stiens. En dan het kralensnoer van dorpen: Hallum. Marrum. Blije. Ferwert. Holwerd.

Holwerd. Wie Holwerd zegt, zegt Ameland.
Eigenlijk is het al een beetje Ameland. Ik ga linksaf, met een slinger de dijk over. Dan: het lege niets, het einde van de wereld. De grote boten van Wagenborgen. Het ruikt naar de zee. In de verte lonkt het eiland.

We leggen aan. Ik rijd de pier op. De commercie van eettent de piraat en de firma Kiewiet die fietsen verhuurt. Een grote Volvo haalt me in, onder de open achterklep een fiets. Een simpel touwtje voorkomt dat de zaak losschiet. En dan slokt de strakke dijk de pier op. Hier begint Ameland echt. Maar waar is het eilandgevoel?

In de verte (is er een verte op een eiland?) de gele supermarkt uit Veghel. Hier ook al. Aan de andere kant staat een grote doos van de horecaboer Hanos. De vooruitgang van Nes: het is duidelijk waar het op het eiland om draait. Mijn blik dwaalt naar rechts en daar staat het oude huisje van de Amelander duivenvereniging. Grijze metalen hokken achter de vervallen ruitjes. Hier begint Ameland.

IMG_1559

Kijknatuur

Laatst was ik in de Millingerwaard, één van de eerste uiterwaarden van de Waal. De Millingerwaard is er voor de Nijmegenaren. Hordes toeristen, dagjesmensen, wandelaars en fietsers komen op zondag vanuit de Keizerstad en verder naar de Millingerwaard. Waarom eigenlijk? Om te recreëren. Nederlanders recreëren op zondag. In de Millingerwaard gaat het dan vooral om de theetuin, diep verscholen in het groen, vlakbij de rivier. En dan is er nog de natuur zelf, waar je lekker in kunt rondkuieren. Je mag er gaan en staan waar je wil. En dat is bijzonder.

De Nederlandse natuur is kijknatuur, of eigenlijk: geen natuur. Er zijn mensen die zeggen: Nederlandse natuur bestaat niet, omdat alles is aangelegd. In de Millingerwaard is dat inderdaad het geval. Het had eigenlijk een modderpoel moeten zijn, met hier en daar wat gras, dat elk jaar weer onderloopt met Duits Rijnwater. Of Waalwater, zo je wilt. Maar jaren geleden al, werd bepaald dat er in de Millingerwaard natuur moest komen. En die kwam er. Natuur zoals dat zit in de hoofden van de Nijmegenaar. Riviernatuur, op afroep beschikbaar. Bossen, poelen, otters, bevers en zwanen. En bloemen, veel bloemen.

Nu lopen we er in optocht, verlangend naar een kop thee of een goed gesprek. We kijken collectief naar de natuur, snuiven de natuur, ja, consumeren de natuur. Het zandpad is breed, er staan geen hekken. Op een groot bord bij de dijk staat dat de paden ook verlaten mogen worden, om te struinen door de waarden. Maar de moeder even verderop roept haar kinderen terug. Het gras zou wel eens vlekken kunnen geven.

[foto: www.ark.eu]