Voor even medepassagier

Er stapt een man de coupé binnen. Onopvallend, maar niet ongezien. Schuchter neemt hij plaats in het eerste zitje naast de schuifdeuren. Hij slaat zijn benen over elkaar en neemt de omgeving in zich op. In één beweging draait hij naar het raam en begint naar buiten te staren. Het voorbijglijdende landschap weerspiegelt in zijn vierkante brillenglazen. De buitenwijken van Utrecht. Het kerkje van Harmelen, de plaats van het fatale treinongeluk zo’n halve eeuw geleden. De langgerekte polders van Oudewater en Reeuwijk.

De zon valt op het witte tafeltje tussen ons in. De trein zoemt zachtjes. Zijn kalme blik verraadt voldoening. Denkt hij aan zijn vrouw? kinderen? De werkdag die zich weer aandient? Minnares? Carrierestap? Versnapering op het volgende station? Het ouderwetse zilverkleurige montuur wordt getooid door borstelige wenkbrauwen. Zijn dunne blauwige lippen en verweerde huid vertellen dat zijn pensioen niet ver meer kan zijn. De stad schiet voorbij. De perrons van Goverwelle. Het moderne stadhuis van Gouda met zijn lange diagonalen die zijn ontleend aan de Goudse stroopwafels.

Zijn pak valt in keurige snit om zijn brede schouders, al kun je zien dat ze vroeger breder geweest zijn. Zijn broek valt keurig over zijn glimmend zwart gepoetste schoenen. Gesteven boord. Een pet ontbreekt nog net. Terwijl de trein zich weer in beweging zet, staat hij op. De trein glijdt over een wissel en wiegt zachtjes heen en weer, maar onze man staat stevig in zijn schoenen. Met een zwaai staat hij midden in het gangpad en pakt zijn scanner: “uw vervoersbewijzen alstublieft”.

Het spitsweerzien

Utrecht Centraal is een pijpenlaatje geworden. Niet de terminal zelf. Daar baden de reizigers in ruimte en licht. Niet voor niets is de term ‘station’ vervangen door ‘OV-terminal’. Een gemiddeld hangar op Schiphol valt erbij in het niets. Uit alles moet blijken dat de reiziger nietig is. Een klein bijtje in een grote korf.

Het pijpenlaatje is het laatste stukje van de terminal dat nog moet worden verbouwd, het gedeelte tussen spoor 5 en spoor 18, waar vroeger het blauwe bord hing. Daar persen de forensen zich over houten planken door een slurf die alle uitzicht op de werkzaamheden en de rest van de samenleving ontneemt.

Te midden van dat alles is de ontmoeting tussen twee vrouwen. Ze hebben elkaar lang niet gezien. Of gisteren nog, dat weet je nooit bij vrouwen. Midden in dat pijpenlaatje, in de massa die ochtendspits heet, krijgen ze elkaar in het oog. Ze lopen elkaar tegemoet – zo goed en kwaad als dat gaat – en omhelzen elkaar. Er klinken enthousiaste gilletjes en wensen. ‘Meid, wat toevállig! Alles goed met je ?’ Dat werk. De bijtjes in de bijenkorf zijn voor een paar seconden toeschouwer geworden in een authentiek toneelstuk: het spitsweerzien. Maar stil staan ze niet. De ochtendspits gaat door.

foto: Hegeman

Relatief

De Blijhamsterstraat is een smal straatje aan de zuidrand van het centrum van Winschoten en loopt, de naam zegt het al, naar Blijham, een veendorp even verderop. Hoewel Winschoten een bloeiend centrum heeft, schreeuwt de leegstand je hier tegemoet. Er zaten winkels, bovenwoningen. Hier werden verhalen geschreven van nuchtere ondernemers die het Oldambt bedienen. Die bezorgden van Scheemda tot Delfzijl. Er zat een webdesigener (vertrokken). Er zat een stoffeerder (failliet). Hier werd ruzie gemaakt, groeiden kinderen op, werd gelachen, werd geleefd. Wat rest zijn dichtgetimmerde ramen en een enkele passant die de leegstand bewondert of verguist.

Een oma met een kindje passeert mij. ‘ouwe troep! ouwe troep! Ouwe troep!’ roept ze steeds. Haar oma lijkt zich een beetje te generen, maar corrigeert het meisje niet. Verderop, op de hoek bij de torenstraat zitten twee pubers te niksen. De kerel toont zijn ontbloot bovenlijf aan de prille voorjaarszon. Zijn tepelpiercing schittert ervan, maar het maakt geen indruk op het meisje naast hem. Ze staart onafgebroken maar naar zijn scooter. Door dat vehikel ligt de rest van de wereld open. Misschien rijden ze vanavond wel naar Blijham. Of naar Groningen om zich te bezatten op een feest.

Blijhamsterstraat-RosaEverts

Op de Carolieweg is het al niet veel beter, al wordt daar – zowaar – wat nieuws gebouwd. ‘Een aantal panden was zo verouderd dat het maar tegen de vlakte is gegooid. Er was geen beginnen meer aan’ vertelt de barman van de tegenover gelegen kroeg. Er komen nieuwe appartementen in voor jongeren van 18 tot 25 jaar.

Maar Winschoten klaagt niet. ‘Nee, de mensen die klagen, dat is de import’, vertelt de barman. ‘De mensen uit de Randstad enzo. Die klagen. Over leegstand, over geluidoverlast, over krimp. Nee, de mensen hier, die vinden het allemaal best. Wilt u er nog één?’ Met zijn grote lichaam buigt hij over de toog en met een nonachalante beweging vult hij het glas dat prachtig scheef onder de tap hangt. Buiten echoot de kinderstem nog door de Blijhamsterstraat.

Rosa Everts maakt tekeningen van leegstaande panden in Nederland en buitenland. Klik hier voor haar website

Patent op stilte

Ze zou zo een typetje van Tineke Schouten kunnen zijn: twee turven hoog, een jaar of zestien, de stem van een viswijf dat haar leven lang op de veiling staat. Ze praat plat en veel. Te veel. Temidden van drie jongemannen komt ze ‘s ochtends om een uur of acht de Utrechtse tram binnenstappen, de ogen nog bol van de alcohol en misschien wel meer. Vermoedelijk snapt ze niet wat al die mensen met rugzakken, koffertjes, laptops en Blackberries zo laat op de avond nog in de tram doen.

Haar verontwaardiging is groot. Gisteren werd ze opgepakt voor geluidsoverlast. Op politiebureau ‘Paordenveld’ moest ze even in de cel. ‘Weet je welke dag het is? Waar je bent?’ Had de agent gevraagd. Nou dat wist ze wel. En precies ook. Zondagavond heel laat, of maandagochtend, ‘t is maar net hoe je het bekijkt. Daar had de agent geen antwoord op gehad.

Dan de alcoholinname. ‘Hoeveel heb je op? vroeg de agent. Zo’n bietje!’ En ze geeft met haar vinger aan hoe vol haar glas was. En netjes gemixt met energydrink, niets aan de hand. De agent registreerde een heel andere situatie. Dat zorgde voor trammelant.
‘Ga boeven vangen!’ Had ze gezegd, ‘geluidsoverlast stelt niks voor!’ Maar de agent was onverbiddelijk geweest: eerst je roes uitslapen. De kleine Tineke heeft de onverminderde aandacht van haar drie vrienden. Ook de rest van de tram heeft ze weten te interesseren.

De frustratie zit er nog goed in. Terwijl ze het navertelt kan ze zich weer opwinden, en dat oogst bewondering van de drie heren om haar heen. Vergeleken met zulke heldendaden stelt hun kattekwaad niks voor. Een nacht in de cel: het zal niet leuk zijn, maar je hebt daarna wel een verhaal. En wat voor een.

Op de Vasco da Gamalaan stapt het gezelschap uit. De tram slaakt een zucht van verlichting. Dan volgt een oorverdovende stilte. Er worden wat blikken gewisseld. Ongemakkelijk bijna. Terwijl ze inmiddels allang door Kanaleneiland zwerft belet de kleine druktemaker haar medepassagiers nog steeds te spreken. Ze heeft het patent op deze stilte. Het is een mooie tegenhanger van de herrie van gisteravond. En de afgelopen minuten. En dwars door die stilte heen vraag ik me af waar zo’n patent te verkrijgen is.

Thuisreis

‘Goed stilzitten jongen, als je beweegt ga je vallen!’ In de Wismarstraat in Zwolle staat de vader met zijn zoons, drie jongens met onschuldig blond haar. Zijn fiets, een zilvergrijs yuppenmodelletje, staat midden op straat geparkeerd. De oudste van de drie jongens heeft wiebelig plaatsgenomen op het stuurzitje, normaliter het domein van de jongste. De middelste en de jongste hebben ieder een eigen fiets, een stoere kindermountainbike. Het kinderzitje bij vader achterop is leeg. Een kinderrugzak bungelt er troosteloos aan.

De zon schijnt zoals die alleen op een warme namiddag schijnen kan. De vader veegt het zweet van zijn voorhoofd. Grote plekken sieren zijn witte overhemd bij de oksels. Daaronder het zwarte krijtstreepje en de strak gepoetste schoenen. Hij zucht en schudt zijn krullen nog eens flink op voordat hij de jongste op de fiets hijst. Aan alles zie je dat hij er geen zin in heeft, dit gedoe. Hiij wil naar huis, aan de karbonade en daarna een zomeravond met een glaasje wijn in de tuin. Hij verlangt er nu al naar.

De oudste zit er beteuterd bij. Hij wil wel protesteren, maar kan niet. Hij kan elk moment met fiets en al tegen de grond gaan. Met geknepen oogjes kijkt hij strak vooruit. Het kan van de ingehouden woede zijn of van de namiddagzon, dat is niet helemaal duidelijk. De middelste kijkt verveeld rond. Hij zit hier ook niet op te wachten, en kan natuurlijk al lang alleen naar huis fietsen. Maar hij wacht geduldig af.

Glimlachend sla ik het tafereel gade, halt houdend in de buurt van de fiets om deze op te vangen als het misgaat. Vader geeft nu instructies. De jongste krijgt een duw in de rug mee en gaat dan onzeker op weg. Terwijl vader hem nakijkt kruisen onze blikken elkaar, maar er is geen contact. De blik van verstandhouding blijft uit.
Zonde.
De man is niet meer in staat tot relativerende blikken. Waarschijnlijk is hij al lang in gedachten bij zijn vrouw, die ongetwijfeld een mening heeft over hoe hij dit nu aanpakt. Zou het flesje wit trouwens al in de koelkast staan?

Vader klimt op zijn fiets. Het gezelschap verdwijnt in de bocht van de Wismarstraat. Het enige dat achterblijft is een blauwerode teenslipper, als een stille getuige van het zojuist gebeurde. Ik kan een nieuwe glimlach niet onderdrukken. Het wordt inderdaad een prachtige zomeravond.

Voorbijganger

De man zit achterin tram 7. Zijn haar lijkt op dat van Lambiek. Drie haren links en drie haren rechts op zijn ronde gezicht. Zijn grijze pantalon hangt op zijn navel en is boven veel breder dan onder om zijn ronde buik goed te kunnen omsluiten: een vormeloze oudemannenbroek. Hij staart wezenloos uit het raam en laat de Kinkerstraat aan zich voorbijglijden. Hij heeft een rauw gezicht, maar zijn blik staat vriendelijk, de scherpe kantjes zijn er inmiddels wel vanaf. Tussen zijn benen een boodschappentas van dik zwart linnen met een leren hengsel, van het degelijke soort. Een gouden horloge schittert aan zijn rechterarm. Op zijn linkeronderarm een verschoten tattoo, een getekende herinnering aan vervlogen tijden.

Welke herinneringen tekenen deze man? Wat maakt hem tot wat hij is? Zijn gestalte vertelt een verhaal, maar ik weet niet welke. Als de tram optrekt zie ik een glimp van wat de man vroeger was. Gretig drukt hij op de knop. Hij komt kwiek overeind om zich bij het hekje van de achterdeur op te stellen. Bij de Jan Pieter Heijestraat komt de tram tot stilstand en stapt de man uit. Nu is het weer de man op leeftijd. Behoedzaam neemt hij elke trede en landt hij op het smalle perron. Het gaat niet meer zo gemakkelijk als vroeger, maar hij heeft zich er volledig mee verzoend.

De deuren sluiten en de tram trekt andermaal op. De man draait meteen achter de tram langs de straat op. Zonder te kijken steekt hij over. Daarna kijkt hij wel drie, vier keer om, alsof hij zeker wil weten dat de tram echt verder gaat zonder hem. De brug op, de Witte de Withstraat in. Als de tram de hoek om gaat zie ik de grijze gestalte opgaan in het publiek van de Kinkerstraat. Vlak daarvoor kijkt hij nog één keer op. Dan is hij weer een van die duizenden Amsterdammers geworden. En ik denk aan die ene loodzware zin die mij vroeger al werd ingeprent: wij zijn allen voorbijgangers. Dat blijkt maar weer.

20140209-155703.jpg

Blik van verstandhouding

Het is avondspits en station Zwolle staat bol van de forensen. De forens herken je snel. Die loopt op routine. Recht op doel af. Blik op oneindig. Naar huis. Naar het gezin, naar de karbonade en de aardappeltjes, naar het weekend. Naast me loopt een meisje in een leren jack met me op. Precies dezelfde snelheid, zelfde blik op oneindig en waarschijnlijk precies dezelfde gedachten: op naar het weekend. Een echte forens.

Het meisje voor ons valt niet in die categorie. Ze heeft blauw haar. Blonde opgestoken krullen, met blauwe pieken. Het zegt natuurlijk niets, maar het lijkt erop dat ze geen forens is. Ik geef het niet graag toe, maar uiterlijk zorgt in dit geval voor aannames, zeker op een gedachteloze vrijdagmiddag. Toch wandelt ze in een forensentempo voor ons uit door de passage van het station. Met elke stap die ze zet wordt het duidelijker: de blauwharige jongedame voor me is niet bekend in Zwolle. Ze kijkt rond terwijl ze afstevent op de trap aan de Zuidzijde, de achterkant van het station.

Haar overkomt wat zovelen overkomt: ze loopt de verkeerde kant op. Ze moet helemaal niet aan de Zuidzijde zijn, maar aan de andere kant. Pas vlak voor het gapende gat aan het einde van de loopbrug, een meter of twee voordat de trappen naar de Zuidzijde beginnen, komt ze er achter. Ze moet zo snel mogelijk terug. In één bruuske beweging stopt ze, keert ze om en vervolgt ze haar weg, precies tussen mij en mijn buurvrouw met het leren jack door. Alsof er niets gebeurd is.

Ik doe wat iedereen zou doen. Ik houd onwillekeurig mijn pas in en laat haar passeren, mijn hoofd langzaam draaiend om haar opvallende verschijning na te kijken. Om te kijken naar heur haar. Haar blauwe haar. Ik kan een glimlach niet onderdrukken. Zodra ze is gepasseerd zie ik dat mijn buurvrouw met het leren jack precies hetzelfde deed en net als ik een brede glimlach op haar gezicht heeft getoverd. Een fractie van een seconde, nee korter nog, kijken we elkaar recht in de ogen, beiden glimlachend. Verderop verdwijnt het blauwe haar in de massa.

Een frisse onderbreking van de avondspitsroutine. Een volkomen willekeurige vrouw kijkt je onverwacht glimlachend recht in in de ogen. Een blik van verstandhouding, een minimaal moment van contact met een medeforens. En je lacht nog terug ook. Dat gebeurt je niet iedere dag in het forensenbestaan. Ik daal de trap af en verander van forens in een voorbijganger. Op het Lübeckplein begint de herfstschemering al in te zetten. Mijn weekend kan beginnen.

20131123-223130.jpg

Vrouw van één seconde

Ik zag haar in een flits, maar de hele dag bleef ze in mijn hoofd. Waarom? Ze was een gewone vrouw op een gewone fiets. Gewoon wachtend op een passerende trein bij de overweg van de Groenekanseweg. Toch kon ik haar niet vergeten.

Ze hangt voorover over haar stuur. Met één arm ondersteunt ze haar gezicht. Ze ziet me niet. Natuurlijk ziet ze me niet. Ik zit in een trein. Ze ziet een roodwitte slagboom met daarachter een intercity die met een gang van 120 kilometer per uur de overweg passeert. Een vervelende onderbrekig van haar dagelijkse ochtendritje. Ingecalculeerd, dat wel, dus te laat op haar werk zal ze niet zijn door mijn trein.

Ik kan maar net haar lege blik ontwaren, verveeld, omdat ze elke dag over die verrekte Groenekanseweg fietst. Van Groenekan naar De Bilt, of misschien nog wel verder, naar Zeist of Driebergen. Verveeld, omdat de spoorbomen vaker dicht dan open zijn. Omdat het wachten een ritueel is geworden. Verveeld omdat ze nog niet helemaal wakker is, en de ochtenden al behoorlijk koud beginnen te worden, zo eind oktober.

Ik zag haar in een flits, maar een flits was genoeg. Ze liet me niet meer los die dag. Waar dacht ze aan? Waarom dacht ik aan haar? Het voorval deed me denken aan een gedicht van Piet Paaltjens: “Aan Rika”. Dit zijn de eerste twee coupletten:

Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart
Gezeten in een sneltrein, die den trein,
Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.

En toch, zij duurde lang genoeg, om mij
Het eindloos levenspad met fletsen lach
Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij
Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

Rika. Zo heet ze dus. Rika uit Groenekan. De kennismaking kon niet korter zijn. Een moment van minder dan één seconde was bepalend voor de rest van de werkdag. Rika, ik kende haar niet maar ze hield me in de greep. In de avondspits kon ik een glimlach niet onderdrukken toen ik de Groenekanseweg weer passeerde. Een fletse lach. Het rode asfalt van de fietsstrook keek me heel kort vragend aan. Rika. Ik miste haar nu al.


20131103-160406.jpg

Foto: MstsRouteBouwers

Met dank aan Sanne.

Sorry

Bij de parkeerautomaat staat een moeder met haar drie dochters. Allevier getooid in de cremekleur van deze zomer. Het stel is duidelijk onervaren met parkeren in de hoofdstad. Ze staan in de Eerste van Swindenstraat in Amsterdam, een brede straat met twee lange rijen monumentale iepen. Amsterdam is een echte iepenstad. Waar je ook bent de in de stad, met een klein zuchtje wind hoor je de grote bomen ruisen. Ik houd van dat typische geluid, dat soms het stadsgewoel even overstemt. Alsof moeder natuur op die manier de dagelijkse stadse beslommeringen even wil relativeren. Heerlijk is dat.

De moeder is net groot genoeg om het scherm van de parkeerautomaat te bereiken. Ze tuurt om de instructies tegen de zon in te kunnen lezen. Haar dochters dwarrelen er ongeduldig omheen. Amsterdam wacht op hen. De parkeerautomaat is de laatste hindernis voor een lekker ochtendje winkelen. Of shoppen, zoals dat tegenwoordig heet.
“laat mij nou mam”
“Nee, het lukt wel, gewoon even lezen”
“ma-ham”
“ja, laat haar nou maar even kijken” valt haar zusje bij.
Omstebeurt kijken de dames op het scherm van de geldvretende zuil.
Gerommel.
Geduw.
Blikken.
Dan heeft de jongste genoeg van de situatie.
“Nou, sorry hoor”. En ze draait zich resoluut om.

Nu zijn er veel manieren om sorry te zeggen. Denk aan de oprechte variant, waarbij de ontvanger aangekeken wordt, en het sorry langzaam en duidelijk uigesproken wordt. Meestal volgt er een zucht van opluchting. Of de vluchtige variant als je wilt passeren op de roltrap of bij de kassa van de supermarkt. Deze variant dient binnensmonds te worden uitgesproken, zoals een Italiaan ongeveer ‘scuse’ zegt. En dan is er nog de neutrale variant, net na een ietwat ongepaste opmerking waarna een licht geladen stilte valt.

Het haalt het allemaal niet bij de “sorry hoor” van dit pubermeisje. Het klinkt verongelijkt, met een ondertoon van arrogantie. Scherpe s en de klemtoon op de o. De Gooise “r” rolt over straat. Je verwacht nog een toevoeging, iets in de trant van “wat genant” of “hier hoor ik niet bij”. Maar meer woorden zijn niet nodig. Deze jongedame staat ver boven deze toestand hier bij de parkeerautomaat.

Moeder vermant zich en betaalt aan de automaat. Het stel loopt terug naar hun cremekleurige Fiat 500. Ook dat nog.
De zon schijnt bleekjes en de Eerste van Swindenstraat is nog vol van de sorry van het jonge meisje. De iepen ruisen.

parkeerautomaat, foto Edwin van Eis

De rode brug

Ik fiets op de brug bij Hattem. De grote rode, sierlijke spoorbrug over de IJssel die de naam ‘Hanzeboog’ heeft gekregen. Het doet Amerikaans aan. Een groot stalen bouwwerk, geschilderd in brandweerrood. Dit is een brug met hoofdletter B. Een robuust stuk staal dat je over de brede, glinsterende rivier naar huis brengt. Daniël Lohues schreef er een liedje over, “Ten Oosten van de Iessel”, dat des te meer van toepassing is op dit rode gevaarte:

“En be’j de brugge ienmoal over dan be’j zowat weer thuus”

en dat geldt dan voor “Silvolde in ‘t Zuuden tot an Delfziel in het Noorden”, oftewel iedereen die via Zwolle naar het noorden/oosten van het land reist. Voor Hattemse scholieren werkt het precies andersom. Ze zitten in Zwolle op school en fietsen mij tegemoet in groepen. Roepend en schreeuwend, op zoek naar bevestiging van hun vrienden. Ze zijn zich niet bewust van de rode schoonheid die hen over de IJssel brengt.

Tussen de groepen in fietst een meisje alleen. Lange blonde haren, en een volle rugzak op de bagadrager. Een jaar of veertien zal ze zijn. Met één hand aan het stuur probeert ze haar telefoon te bedwingen. Ze is niet hier, maar ergens anders. Vriendin? Vriendje? Bezorgde moeder? Haar vegende duim is haar toegang tot de wereld. Ze let niet op en rijdt met haar fiets langzaam de berm in, geholpen door de vaart die het talud haar geeft.

Net op tijd komt ze terug in het hier en nu, en ze stuurt haar fiets terug het fietspad op. Ze kijkt op, schuldbewust, en onze blikken kruisen elkaar een fractie van een ogenblik. Ze ziet aan mij dat ik haar zoëven zag. Geen woord. En ik weet dat ze weet dat ik haar zag. En ook dát heeft ze gezien. Nogmaals, schuldbewust.

Op de achtergrond strekt de rode loper over de IJssel zich voor mij uit. Eroverheen dendert de intercity naar Groningen, met daarin allemaal mensen die “zowat weer thuus” zijn. En de rode brug? De brug slaat het allemaal stilzwijgend gade.

Hanzeboog