Achter de schermen

Een onmetelijk hoog geluidscherm scheidt het snelwegleven van de Amersfoortse buitenwereld. Aan de ene kant raast de A28 zes banen dik, aan de andere kant buigt een straat met een zachte ronding om een groep rododendrons. Een treurwilg danst met zijn takken in de zomerzon. Een balkon getooid in bloemen. Een bordje waarschuwt voor drempels. In de verte blaft een hond.

Dat is geen toeval. Bordjes wijzen de weg naar de hondenvereniging ”t Haartje’. Op zaterdagmorgen zullen de stationwagens in colonne de flauwe bocht nemen, als de baasjes met hun honden de gang naar de gehoorzaamheidstraining maken. Auto’s met flinke achterbakken, soms met een afrastering gescheiden van het voorgedeelte. Kluiven en rubberen speeltjes en een hondenpootje van modder op de achterbank. Dekens vol met haren. De geur van hond. De ongeduldige viervoeters spits toekijkend achterin. Zijn we er al? Het grasveld lonkt.

Achter elkaar draaien ze de smalle weg op, stapvoets langs dat grote betonnen scherm. Tot ze bij de het viaduct van de Heiligenbergerweg zijn. Onder het viaduct is er alleen een lage betonnen rand, met een vervallen bouwhek. De straat kust het asfalt van de snelweg. Tussen hen in nauwelijks een halve meter. Hier kunnen de honden en hun baasjes voor een tel een glimp opvangen van dat lege, parallele universum. En dan stapvoets weer verder langs de achterkant van het bruinrode beton, dat al hun geblaf zal smoren.

Split second

Als ik in de avondspits naar de snelweg toe rijd, kijk ik altijd even over het viaduct naar beneden. Rijd het of sukkelt het? Het is altijd maar afwachten. Op de A50 lijkt file een kwestie van toevalligheid. Opeens is het er. En even plotseling is de sukkelgang weer vertrokken.

Nu is het ochtend. De A50 beweegt rustig zuidwaarts. Spontane files zijn er niet, het is woensdag. Boven alle snelheid staan de betonnen viaducten. Zuppeld. De Schobbert. Broekland. Zuuk. Ganzenebbe. Hoekige namen die het platteland van de IJsselvallei verraden. Hier gaat het leven zijn gangetje.
Bij mijn afrit zie ik het verkeer over het viaduct schuifelen. Mijn viaduct, waar ik ‘s middags altijd even over de reling omlaag kijk. Het is het omgekeerde van de avondspits. File boven de snelweg. Zonder verder gas te geven zoef ik over de slingerende afrit. Het gaat langzaam omhoog en ik minder vaart.

Boven gekomen is het net gebeurd. Een busje in de berm. Een vrachtwagen die zich over de vluchtstrook wurmt. Een aanrijdende ambulance. Stilstaand verkeer. Te midden van dat alles een auto zonder voorkant. Uit de resten van het motorblok kringelt damp, of rook. De glimmend zwarte lak is op slag dof grijs geworden. Pijpjes en slangetjes worden aan de lucht gedroogd. Ingewanden. Daarachter een gezin op de vluchtheuvel. Vader en twee dochters. Een jaar of 10, 12 zullen ze zijn. Ze staan erbij en kijken ernaar. Ik kan hun gezichtsuitdrukking niet zien, maar het zal geschokt zijn. Of ietwat beteuterd. Verloren.

Net op het moment dat ik passeer springen de ambulancebroeders uit de wagen en rennen op het autowrak af. In mijn achteruitkijkspiegel kan ik het vervolg al niet meer zien. Voor me grijnst de lege weg. Ik zie het silhouet van het gezin nog op mijn netvlies en kan de adrenaline van de mannen in de gele hesjes nog aanraken.

Een politieauto nadert. Het begint te miezeren. Dat kan geen toeval zijn. Het toeval is immers altijd daar waar je het niet verwacht.

(Af)waardering

Wie vanuit Amersfoort naar Hoevelaken wil neemt de Hogeweg, een grote doorgaande weg die al in het centrum begint. De gemeente wil de Hogeweg afwaarderen. Bij afwaarderen denk ik aan beursgenoteerde bedrijven en ingewikkelde financiële producten. Maar een weg afwaarderen, dat kan dus ook. Slopen, smaller maken, langzamer maken. Het is iets wat we in Nederland nog steeds niet echt gewend zijn, gewend als we zijn aan groei, groter en meer. Hoewel de afwaardering van wegen al met de aanleg van ons snelwegennet, in de jaren ’60 en ’70 al aan de orde was. Grote provinciale verbindingen, zoals de Zuiderzeestraatweg tussen Amersfoort en Zwolle, werden in één klap teruggebracht tot lokale dorpsweg. De afwaardering als achterkant van de groei.

De Hogeweg in Amersfoort staat aan de vooravond van dit hele gebeuren. Het betere, snellere en grotere ligt verderop: het verkeer van Amersfoort naar Hoevelaken rijdt straks over de Energieweg, een brede vierbaansweg die in een flauwe bocht langs het nieuwe bedrijventerrein de Wieken loopt. Het asfalt zal er gitzwart zijn, de strepen helder wit en het geheel wordt vast en zeker omzoomd met jonge boompjes die nog een extra paal nodig hebben om rechtop te blijven staan. Je moet ergens beginnen als nieuwe weg.

Bedrijven langs de Hogeweg
Bedrijven langs de Hogeweg

Voor de Hogeweg is dat allemaal lang geleden. Het is in de jaren een flinke laan geworden. Hoge bomen flankeren de lijn van de weg. Je ziet paard en wagen er nog zo rijden. Of een oude Ford op een vergeelde foto, waarin dan in ouderwets blokkerig lettertype linksonderin ‘Hoogeweg’ staat. Grote rookpluim. Glimmende kap. Keurig geklede mensen die een ritje maken op zondag. De rust die zo’n foto uitstraalt zou wel weer eens terug kunnen keren als de afwaardering van de weg is uitgevoerd. Minder auto’s. Minder verkeersborden. Misschien zelfs wel een smallere weg.

De boerderijen laten hier en daar een open plek vallen. In het hoge gras staan twee geiten tevreden te herkauwen. Alsof de nieuwe tijd niet op een paar meter voelbaar is. Voor hen is de Hogeweg nog het landweggetje dat het vroeger was, zij zijn zich niet bewust van het grote Amersfoort dat om de hoek blijkt te liggen. Gras is immers gewoon gras en hun uitzicht op het moerasgebiedje Bloeidaal heet rustiek te zijn. Op de achtergrond dreigen de vierkante gebouwen van het bedrijventerrein. Amersfoort lonkt naar dit stukje buitengebied. Toch lijken ook de bedrijven voor te sorteren op de afwaardering: in het dichtstbijzijnde pand is een handelaar in oldtimers gevestigd. Het wordt nog wel eens wat met de Hogeweg.

Klaverblad

Het klaverblad is de mooiste metafoor in de taal van de snelweg. Een knisperend lichtpuntje tussen droge termen als vangrail, afrit of weghelft. De Fransen hebben de poëzie van hun ‘aires’. Wij hebben het klaverblad: Deil, Hoevelaken, Heerenveen, Zaarderheiken, Ressen, Stein, Beekbergen: vanuit de lucht gezien zijn het kleine hoogtepunten der symmetrie. Het kan niet anders of ze moeten hun oorsprong wel moeten in de natuur. Maar wie een precieze vergelijking met de natuur maakt komt bedrogen uit: het gaat hier eigenlijk om vier klaverbladen. De lussen van het knooppunt zijn elk een klaverblad. Het knooppunt zou daarom eigenlijk klavertje-vier moeten heten. Maar ja, dat is natuurlijk wat lang en past voor geen meter bij het imago van snelweg.

Het mooie aan een volmaakt klaverblad is dat je er eindeloos rondjes op kunt rijden. Ooit deed ik dat eens om aan een file te ontkomen. Ik prentte de kleur en het merk van het busje voor mij goed in mijn hoofd en nam vervolgens flierefluitend drie korte lussen in plaats van de stapvoetse flauwe bocht. Natuurlijk leverde het niet veel op, behalve boze blikken van medebestuurders: ik voegde slechts een paar auto’s voor het busje weer in. Maar het gevoel pakten ze mij niet meer af: telkens hetzelfde viaduct, dan weer onderlangs en dan weer bovenlangs passerend en de schier eindeloze bocht naar rechts, als tegenhanger van de eeuwige bocht naar links op de snelwegrotondes.

Maar het klaverblad lijkt op zijn eind te komen. Rijkswaterstaat morrelt op steeds meer plekken aan het toppunt van symmetrie op de snelweg. Fly-overs komen er voor in de plaats. Niet meteen vier, zoals op het Prins Clausplein – dat zou veel te duur zijn – maar meestal één of twee. Stuk voor stuk gaan de klaverbladen eraan. Badhoevedorp, Stein, Valburg, Ewijk: ze hebben inmiddels nog maar drie blaadjes aan hun klavertje. Andere klaverbladen zijn gewoonweg verdwenen zoals Oudenrijn bij Utrecht of Bocholtz, het knooppunt tussen Heerlen en Aken. We kunnen ons nog even vastklampen aan Hoevelaken en Beekbergen, maar ook die zullen ten prooi vallen aan het argumenten als ‘verbetering van de doorstroming’ en verkeersveiligheid. Het klaverblad sterft langzaam uit. Rijkswaterstaat lijkt zich naar de natuur te voegen. Het klavertje-drie is de norm geworden, het klavertje-vier de uitzondering.

Toen ik klein was zocht ik, zoals elk kind in grasvelden naar dat ene zeldzame klavertje vier tussen die dichte velden van driebladerige plantjes. De dag dat het raak was, was meteen goed. Het geluk was met mij. Op de snelwegen zal het straks niet anders zijn. Het passeren van een volmaakt klaverblad, ergens in het buitenland, zal een unieke ervaring worden, met een kleine endorfinestoot van geluk. En het zou zomaar kunnen dat ik dan even allevier de lussen neem, in plaats van gewoon rechtdoor te rijden.

Beeld: Louisiana, USA (Google Earth)

Eeuwige bocht naar links

De rotonde heeft afgelopen jaren een opmars gemaakt. Was het vroeger een zeldzaamheid, tegenwoordig is de rotonde gemeengoed geworden. Je treft ze echt overal aan. Zelfs de kleinste kruisingen in nieuwbouwwijken worden al voorzien van rotondes, vaak nét iets te krap aangelegd. Er zijn zelfs al geschilderde rondjes op kruisingen gesignaleerd, met van die grote witgeschilderde pijlen op het asfalt om het verkeer de rondgaande beweging te laten maken. Het stemt me licht weemoedig. Waar is de rotonde als groot rond verkeerskundig gebaar gebleven?

De rotonde zelf is ook ingewikkelder geworden. Vroeger was het concept van kinderlijke eenvoud. Laat het verkeer op een kruising een rondje rijden tegen de klok in, en klaar. Het Keizer Karelplein in Nijmegen is het Nederlandse voorbeeld van de oerrotonde. Op een enkele toeterende toerist na, doet de rotonde zijn werk. De rotonde is rond, het verkeer draait. Zo moet het zijn. Nu kennen we fietsrotondes, turborotondes, en in Staphorst ligt zelfs een ‘Stovonde’ (de Staphorster Ovalen Rotonde). Er zijn rijbanen, betonnen randen, bypasses, voorsorteerstroken, alles om het verkeer nóg sneller af te wikkelen.

Die overdaad aan soorten en maten rotondes doet verlangen naar eenvoud. Een echte rotonde, zoals die oorspronkelijk is bedoeld. Eentje zonder stoplichten waar je, eenmaal erop gedraaid, eeuwig naar links lijkt te moeten sturen terwijl je geen idee hebt wie er met je mee draaien, want de overkant van de rotonde is niet te zien. Een rotonde met een park in het midden met treurwilgen en een vijvertje. Eentje met de romantiek van het eeuwige draaien naar links, het eindeloze rondgaan van het verkeer en de identieke afslagen, allemaal in een flauwe bocht rechtsaf. Zo’n rotonde dus.

Joure is de enige plek in Nederland waar dat nog kan. Hier kruisen de A6 en de A7, en ook de lokale Geert Knolweg komt op de rotonde uit. Die weg heeft zelf na een meter of 50 weer zo’n klein wijk-rotondetje. De lokale Q-liner heeft het er maar moeilijk mee. Maar het mooiste van de rotonde van Joure is het bord dat je tegenkomt bij de afslag naar de A7 richting de Afsluitdijk. “Amsterdam rechtsaf A7, Amsterdam linksaf A6”. Er gaat iets Frans vanuit dat bord: welke weg je ook neemt, je komt altijd in de hoofdstad uit. Nederland is klein, zo blijkt maar weer.

Laatst reed ik er langs en was het er ineens niet meer. Lichtblauwe blokken waren over het grauwe donkerblauwe bord geplakt. Voor de A7 werd alleen Joure-West en Sneek aangegeven. De route naar Amsterdam via de Afsluitdijk wordt kennelijk als bekend verondersteld. Zoals de vrijheid van de automobilist op rotondes wordt ingeperkt met bypasses, betonnen randen en voorsorteerstroken, zo wordt de automobilist op het vlak van navigatie ook geen keus meer gegeven. Het Franse centralisme maakt plaats voor Joure-West. Jammer. Nederland is klein.

De rotonde van Joure gaat komende jaren op de schop. Er komen fly-overs voor in de plaats en de Geert Knolweg krijgt op- en afritten die ongetwijfeld de naam Joure-Oost zullen dragen. Het kan mij niet meer schelen. Zonder dat bord was Joure Joure toch al niet meer. Alleen jammer dat na het verdwijnen van de laatste snelwegrotonde van Nederland de eeuwige bocht naar links er straks niet meer zal zijn.

joureBeeld: Google Streetview

‘Onze’ snelweg

Nederland heeft geen A3. Wie over de ring van Amsterdam vanaf de Zeeburgertunnel richting de Zuidas en Schiphol rijdt, ziet na de A1 en A2 ineens de A4. Daar tussenin, vlakbij de RAI had hij moeten beginnen. De A3 was oorspronkelijk gepland langs de oostkant van Amstelveen, recht omlaag, richting Gouda. Maar wie moet er nu van Amstelveen naar Gouda? De A3 werd nooit aangelegd. We zijn met zijn allen gaan geloven in het Groene Hart. Zelfs de HSL moest ervoor wijken en kreeg een tunnel. De A3 zal er nooit komen. In elk geval niet langs Amstelveen. De strook grond die er jarenlang voor was gereserveerd is inmiddels vol gezet met huizen en lege kantoren.

Gelukkig ligt er net over de grens in Duitsland wel een A3. Wie op de A12 bij Arnhem doorrijdt richting Oberhausen komt er vanzelf terecht. En die A3 lijkt inderdaad van de Nederlanders te zijn. Het Duitse stuk snelweg is een soort overgangszone. Nederland ligt achter je, maar Duitsland is nog niet echt begonnen. Richting Duitsland rijdend, wordt je ingehaald door Hollanders. En komend vanuit Duitsland… ach, vult u maar in.
Kortom, wie vanuit het Ruhrgebiet koerst richting A3, voelt zich al helemaal thuis. Bovendien klinken de plaatsnamen ook allemaal zo lekker Nederlands: Elten, Rees, Isselburg. Toch een stuk Hollandser dan Aschaffenburg, Wiesbaden, Köln of Karlsruhe.

Toch begint Nederland voor de vakantievierende Duitsers en huiswaarts kerende Hollanders nog een stukje eerder dan op dat saaie stuk A3: al ver voor Oberhausen komt het op de borden: Arnheim.
Arnheim. Het venijn zit ‘m in die i. Waarom Arnheim? Coevorden blijft immers ook gewoon Coevorden, en Venlo is gewoon Venlo. En het Groningse Nieuweschans is ook geen Neueschans. Alhoewel? Een aantal jaar geleden werd Nieuweschans ineens omgedoopt tot “Bad Nieuweschans”. Een stukje Duitsland in Nederland. Dat dan weer wel.

Op de A1 bij Amsterdam staat een bord dat zegt ‘Berlin’ en ‘København’, met een streepje door de ø. Maar omgekeerd hebben de Duitsers zich vergist. Tegen beter weten in blijft Arnhem Arnheim. En juist daarom geeft het zo’n apart gevoel om dat bord te zien, ergens tussen Duisburg en Oberhausen. Thuisgevoel, maar toch ook weer niet.

Ik rijd door het Ruhrgebiet en weet: die Duitsers hebben zich vergist. En al die witte nummerbordjes om mij heen hebben geen idee. Bij Oberhausen neem ik toch maar de afslag naar ‘onze’ A3, naar Arnheim. Daar rijd ik spoedig weer tussen de gele nummerborden van mijn landgenoten, die beter weten.

Zuppeld

Wie op de A50 rijdt en naar Heerde wil, heeft 2 keuzes: afslag Heerde of afslag Heerde Zuid. Afslag Heerde is een rare afslag. Het viaduct is er diagonaal over de snelweg gelegd en daardoor ontzettend lang geworden. Heerde-Zuid is een stuk gewoner: de snelweg gaat hier over de provinciale weg heen en er is een carpoolplaats met een McDonalds-restaurant. Tussen die twee afslagen ligt een viaduct met een prachtige naam: Zuppeld.

Ik zeg het een paar keer hardop: Zuppeld. Automatisch geef ik mijn z meer stem dan nodig: een zoemende z. Zzzzuppeld, nog onwetend over de juiste klemtoon. Zouden Heerdenaren Zuppéld zeggen? In denk aan Gerard van Velde, die uit Wapenveld komt en het ongetwijfeld weet. Hij staat aan de microfoon bij Mart Smeets, zijn lange haar nog verwrongen van het schaatspak, op de achtergrond de oranje zweem van het publiek.

Nee, van Velde zou ‘Suppult’ zeggen. Met een duidelijke th. En dan een woord als ‘prachtig’ erbij. Of ‘machtig mooi man’. Zuppeld, je zal er maar wonen. Zuppeld. Machtig mooi man. Dát blijkt te kunnen. Zuppeld blijkt een deel van Heerde zelf te zijn. Het heeft zelfs buurtvereniging. Zo gaat het poëtische er langzaamaan wel vanaf. Even verderop wordt Zuppeld gelukkig overtroffen.

Vemde.

Fluweel voor de oren. Een zachte V. Een korte e. Vemde. Het is eigenlijk te zonde om op te zoeken waarom dit viaduct Vemde heet. De naam zelf biedt al genoeg voor de nietsvermoedende automobilist om over te mijmeren – als deze na Zuppeld niet teveel is afgeleid door de grote gele M van Heerde-Zuid.