In de mode (?)

Wat is er toch aan de hand met de Primark? Het ene moment heb je er nooit van gehoord, en het andere moment zie en hoor je de Primark overal. Het doet me denken aan de manier waarop eind jaren negentig heel Nederland ‘Hi’ werd. Vanuit het niets was daar ineens het Hi-mobieltje. Inmiddels niet meer weg te denken uit het telefoonlandschap. Hadden we toen Hi, nu is er Primark.

Ik tref de Primark in Almere. De keten huist hier in een groot hoekig gebouw aan de rand van het Stationsplein, een voor polderbegrippen besloten pleintje tussen het station en het winkelcentrum van de nieuwbakken stad. In het midden twee rijen fonteintjes, die afwisselend hoog, laag, aan en uit zijn. Speels water. Daaromheen blokkerige houten bankjes die het plein een moderne aanblik geven. Vrouwen met tassen vol kleding snellen mij voorbij in de richting van het station. Zijn ze de veertig gepasseerd dan gaan ze vergezeld van niets meer dan een rieten tas of iets anders praktisch. Zijn ze rond de twintig, dan bewegen ze in groepen. De polsen zwaar van de plastic tassen van de hippe modeketens.

Als ik binnen ben, wordt het mij snel duidelijk. De Primark is een kledingwinkel waar hippe kleding niet al te duur verkocht wordt. Niet zo raar dus dat gewone Hollandse meisjes razend enthousiast zijn. In grote roedels zwalken ze door de binnensteden, op zoek naar ’s lands nieuwste hippe aanwinst. In de jaren ’80 had je C&A, later waren het de Zweden met H&M en nu heb je Primark. Daar komt het ongeveer op neer. Met dat verschil dat er nog maar zeven Primarks zijn in ons land, al zal dat aantal vast snel groeien. Deze modewinkel is namelijk in de mode. Oftewel hot, hip, of trendy. Ook de benaming of iets in de mode is, is op zichzelf aan mode onderhevig. Zo gaat dat tegenwoordig.

Onverrichterzake loop ik winkel weer uit. Op het plein bij de fontein zitten een aantal dames uit te blazen van hun bezoek aan de modezaak verderop. Hippe dames. Zonnebrillen, rokjes. Ze evalueren hun aankopen, met allemaal een kartonnen Primark-tas tussen de benen. Ze zitten op één van de grote blokbanken, die als grote voordeel heeft dat er veel mensen tegelijk op passen. Ineens verlang ik terug naar de tijd dat een bankje nog gewoon uit vier plankjes en twee betonnen poten bestond. Waar je ook kwam, overal dezelfde simpele bankjes. De confectie van de straat. Maar ja, dat was ook de tijd dat je voor een betaalbare broek of jas alleen bij de C&A terecht kon. Tijden veranderen. En alles verandert mee.

Ter Pelkwijkpark

Het Ter Pelkwijkpark is geen park maar een straat vlakbij het Kerkbrugje, aan de rand van het centrum van Zwolle. Er staan chique onderkomens waar voornamelijk bedrijven in gevestigd zijn. Even verderop is er een grasveld zonder naam. Hoe klein ook, het grasveldje heeft alles wat het Vondelpark ook heeft. Er staan een paar grote bomen, er is een bloemenperkje, een wandelpad en er is water op over uit te kijken. Mooi. Meer heeft een mens niet nodig. Mocht dat toch te weinig zijn, dan zijn er nog altijd de passerende fietsers die het Kerkbrugje oversteken.

Is dit soms het echte Ter Pelkwijkpark?

Aan de rand van het veldje staat het oorlogsmonument: een halfhurkende man die herinnert aan de Zwolse gevallenen. Hier wordt de jaarlijkse dodenherdenking gevierd. Elk jaar wordt die aangekondigd als “op het grasveld bij het Ter Pelkwijkpark”. Het veldje mag kennelijk de naam park niet dragen.

Als de eerste warme voorjaarsdag zich aankondigt strijken jongeren er neer, de chips en cola of iets sterkers bij de hand. De fietsers op het Kerkbrugje geven hun ogen goed de kost. Op de hoek bij de Wilhelminasingel staat de Viskraam van Timmerman. Ernaast staat een man in de klassieke haring-pose. Een paar kinderen van een jaar of tien spelen in het bloemperk bij het monument. Een jonge vader rent achter zijn zoontje aan, de bijbehorende moeder kijkt onder een eikenboom toe met de kleinste op schoot. Ach, iedereen heeft zo zijn eigen geluk.

Verderop zit een verliefd stelletje, hevig verdiept in elkaar. De fietsen nonchalant naast zich neergegooid. Ik zie het voor me: fietsend op de Wilhelminasingel worden gretige blikken uitgewisseld, tegelijk zoekend naar een goede gelegenheid om elkaar eens stevig beet te pakken en van de liefde te genieten. Gelukkig is daar het grasveld, en hop! Daar sturen twee fietsen eensgezind het gras in. Wat had ik hun entree graag gezien. Maar een mens is nooit op het juiste moment ter plaatse. Of met de woorden van Martin Bril: je mist meer dan je meemaakt.

foto: Jan Stockhorst
foto: Jan Stockhorst

Haring en poëzie

Hij is er weer, de nieuwe haring. Trots geveild in Scheveningen en vervoerd naar alle uithoeken van het land. Ik tref de nieuwe haring op de Markt in Den Bosch. De Markt is een perfecte driehoek middenin het centrum, dat ook een driehoek is. Op de hoeken van de markt beginnen de straten die naar de uiterste hoeken van het centrum leiden: de Vughterstraat, de Hoge Steenweg, de Hinthamerstraat. Aan het begin van elke straat staat een viskraam. Zo kan het zomaar dat er drie viskramen staan op de grote markt van Den Bosch. En alledrie verkopen ze de nieuwe haring. Jawel.

Aan de kant van de Hoge Steenweg staan de gebroeders Krol. Hier gaat het er gemoedelijk aan toe. Voor de kar staat een bord met de tekst ‘papa mag ik kibbeling?’ De twee jongemannen die de verkoop doen hebben het liefkozend over ‘kibbelingetjes’. Op de vitrine staat een enorme pot met uit de kluiten gewassen zure bommen. De mannen weten wat lekker is. Achterin hangt een oranje postertje met de tekst “en in de rust… haring scoren”. Ook de vissector is in wk-sferen. Prima kar, de jongens van Krol. Ik wilde dat ik uit de Hoge Steenweg was komen lopen. Dan had ik de andere karren niet eens gezien.

Dan de kant van de Vughterstraat. Die wordt bediend door de zeevishandel van Henk Huiskes. Henk is een gedrongen veertiger met kort haar. Hij staat wat sceptisch broodjes paling te smeren en lijkt meer te praten dan dat hij verkoopt. Misschien komt dat omdat de Vughterstraat zelf ook al een viswinkel heeft: Gepkes-Ernst. Toch draaien de zaken prima. Er is aardig wat aanloop. Henk houdt van rijmelarij. ‘Vis van Henk, da’s een geschenk’ en ‘met deze paling neem ik u niet in de maling’ staat er op de kar geschilderd. Hij kan er wat van, die Henk.

Tot slot de Hinthamerstraat. Aan die kant staat, behoedzaam geparkeerd naast de fontein, de kraam van de Gepkens-Ernst. Dat is de winkel uit de Vughterstraat. Die lijkt het qua klantenbereik dus het beste voor elkaar te hebben. Zou Henk deze plek begeren? Een vrouw heft haar rechterarm om te beginnen aan haar vers gekochte versnapering. De haring bungelt tegen de donkerblauwe namiddaglucht. De drie jongedames in verschoten blauwe poloshirtjes kijken van achter de toonbank opgewekt hoe de klant de Hollandse Nieuwe door de uitjes schuift, de lucht in stuurt en daarna langzaam in de keel laat verdwijnen. Aan de balie hangt een gedicht: de levensbeschouwing van een haring heet het.

De vrouw veegt met een servet haar stevige mond af, knikt de verkoopsters toe en beent de Hinthamerstraat in. Ik kijk haar na en ineens weet ik zeker dat ze het gedicht niet eens heeft gezien. En ze heeft gelijk: over nieuwe haring moet je niet praten, dichten of rijmen. Nieuwe haring moet je eten.

Lees ook: Boerke van Balkum

Lees ook: Geertruidenberg

Lees ook: Zichtbaar kattenkwaad

Theater op het busstation

Voor het busstation van Zwolle is er even theater. Blauwe bussen vormen het decor. Twee mannen spelen de hoofdrol. Mannen die elkaar niet kennen, zelfs nog nooit gezien hebben. En toch spelen ze prachtig samen.

De ene man zit in een taxi. De andere rijdt op een racefiets. De taxichauffeur doet wat hij altijd doet. Hij neemt de rotonde voor het station. Hij schuift voor de rij blauwe bussen langs en zwiept zo de taxistandplaats op, die eigenlijk ook een soort bushalte is. Althans, hij is net zo diagonaal aangelegd, en heeft net zo’n iel perronetje van klinkers als de bussen is toebedeeld. Met een flinke trap op de rem komt de man tot stilstand, precies achter zijn collega, die zijn volgende klant juist helpt instappen.

Althans, zo had het moeten gaan. De tweede hoofdrolspeler gooit roet in het eten. Met zijn racefietsje wurmt hij zich langs de bussen voor de taxi langs. Dat kan niet goed gaan. Er is geen geluid. Remmen piepen niet. De man valt van zijn fiets.

Van je fiets vallen is ook een kunst. En wielrenners verstaan die kunst. Zelfs in de eindsprint van een touretappe kunnen renners nog prachtig vallen. En in de herhaling in slow motion is het nog mooier. Het zwaaiende voorwiel. De grimas. De wenteling. Het is bijna genieten, zo’n val. Maar dat is dan weer leedvermaak. Bij deze man is geen slow motion nodig. De man valt prachtig. Dit is geen val maar een buiteling. Tot twee keer toe rolt hij over de kop, precies over het diagonale perronetje van de taxistandplaats. Alsof het ervoor gemaakt is. Dan komt hij in één beweging overeind. Afsluitend veert hij nog even door zijn benen. Op het elegante af.

Kunst. Valkunst. Theater.

Hij kijkt de chauffeur indringend aan en slaat met de vlakke hand tegen het voorhoofd. Stom! Stom! Stom! De schrik en de woede spat eraf. Het is onduidelijk of hij zichzelf of de taxichauffeur de nalatigheid verwijt. De renner mankeert niets, en taxichauffeur heeft het alleen maar heel erg warm. De taxi heeft nog geen krasje. Een paar zweetdruppels op de voorbumper, daar blijft het wel bij. Het voorwiel van de racefiets is flink krom. De taxichauffeur komt uit zijn auto en er worden excuses gemaakt, gegevens uitgewisseld. Men praat nog wat na. Einde eerste acte. Het podium is weer busstation geworden.

De man heeft geluk. Hij kan meteen een taxi naar huis nemen, hij staat immers al op het perronnetje. Maar dat lijkt hem geen goed idee. Met zijn kromme fiets loopt hij naar het station. Voor hem voorlopig geen taxi’s meer.

 

foto: Google maps
foto: Google maps

 

 

Toevalstreffer

Meestal zo rond carnaval gaat het broeien. Wanneer valt pasen dit jaar? Eerst leeft de vraag nog onbewust: als Pinksterweekendjes ver in juni worden geprikt vallen termen als ‘pasen valt laat dit jaar’. Maar ja? wat is laat? Ik kom niet verder dan ‘ergens in maart of april’. Een paar weken later wordt de nood hoger: in vergaderingen mogen zaken ‘niet over de paasdagen heen’ gaan. Want al die vrije dagen, je komt echt nergens meer aan toe zo rond die meivakantie. Als het eenmaal pasen is…

Aha. Pasen valt rond de meivakantie. Dat geeft enige houvast. Al blinkt de meivakantie ook niet bepaald uit in eenduidigheid. En wanneer valt Koningsdag eigenlijk? De contouren van de vrije paasmaandag beginnen zich af te tekenen. Plannen worden gemaakt, de moed erin gehouden. We gaan er immers een prachtige paas van maken.

Maar de ene paas is de andere niet. Neem nou het weer. Bij pasen past grijs en betrokken weer. Kleine spatjes regen op de ramen van wegrestaurant Routiers aan de A28 bij Nunspeet. Uitwaaien langs het Màximakanaal bij Empel, onder grijze luchten met wolkenpartijen als op een schilderij van Jan Voerman. Pasen is tegen beter weten in toch de zomerjas aan. Teleurgestelde kinderen omdat de glijbaan nog nat is. Pasen is rennen naar de auto op de parkeerplaats van de meubelboulevard. Pasen staat synoniem voor plannen die in het water vallen.

Maar het kan ook anders. Een nevelig zonnetje als decor van een frisse wandeling met familie in de duinen. De tuinstoelen die nog wat onwennig hun eerste zonnestralen vangen. Vochtige kerkpleinen vol kerkgangers op hun paasbest, napratend in de prille zon, Paaspop, waar de zon en Brabantse blubber hand in hand gaan. Fietsen langs bloesem tussen Buren en Buurmalsen. Het onverwachte eerste terrasje langs de Groningse Grote Markt. Gras dat echt weer groen is. Een snelweg vol Duitsers onderweg naar de kust.

Pasen is een wisselend weerbeeld, om maar met Gerrit Hiemstra te spreken. Pasen is typisch halfbewolkt. Kan vriezen en kan dooien. In dat opzicht was pasen dit jaar weer echt pasen. Het enige wat vaststaat is dat het alle kanten op kan. Plannen worden bijgesteld. Mooi weer blijkt een toevalstreffer te zijn. Je kunt er eigenlijk nooit van op aan. Net niks eigenlijk, dat hele pasen. En toch gaat het ieder jaar weer broeien, zo’n paar weken voor carnaval…

De Zwolse Peperpus voor een een bewolkte hemel. (bron: www.mijnz.nl)
De Zwolse Peperpus voor een een bewolkte hemel. (bron: www.mijnz.nl)

Tulpen en het poldergevoel

Een winderige voorjaarsdag op de weg naar Elburg. Dit is de polder. Dronten ligt achter me. Een kale poldervlakte strekt zich uit. De tulpen wuiven en de windmolens draaien. De Haringweg en de Hondweg liggen er verlaten bij. Op de Olsterweg rijdt een trekker naar de horizon. De wind waait. De bomen zijn vergeten. De elementen komen op me af. Land. lucht. Voorjaarswind.

Er is iets aan de hand met mijn poldergevoel. Het gevoel van weidsheid. Van ongereptheid. Van alles-is-mogelijk. Het zit ‘m in de tulpen. Die tulpen zijn nieuw voor mij. Ze worden vast al jaren verbouwd, maar ik weet niet beter of er zijn bieten en aardappels in de omgeving van Dronten. Of uien. Die vette polderklei past vooral functioneel gewas. Als je geluk hebt zie je nog ergens een veldje graan. Maar nu: tulpen. In alle kleuren. Niet overal, maar wel veel, door de hele polder heen. Op één of andere manier past dat niet bij de polder. De kleurenpracht heeft iets sjieks. En sjiek, dat is de polder niet. Functioneel is een beter woord. Het poldergevoel is dus even weg. Ik waan me in Lisse of Sassenheim. Wassenaar ligt ineens om de hoek.

De weg maakt een grote bocht naar rechts. Ik moet denken aan de badkuip die hier jarenlang in de akker lag, gebroederlijk naast oude roeiboot die bungelde aan een witte paal. Ernaast grote borden die de boodschap van onze lieve Heer verkondigen. Mochten er mensen zijn die op deze gure vlakte vergeten waren wie de grote baas is, dan werden die er hier wel aan herinnerd. Een klein baken om de kale vlakte te doorbreken. Ook in het nieuwe land, door mensenhanden gemaakt, is de schepping kennelijk een issue en gezien de omstandigheden niet onterecht. Land, lucht en water, de schepping waait recht in je gezicht hier in de polder.

Inmiddels breekt een lange bomenrij de leegte. Een meisje met een rode jas komt me tegemoet fietsten, pal tegen de wind. Ze buigt flink over haar stuur. De open vlakte wacht haar. De windmolens liggen achter me, de bomen wuiven geruisloos. Een rode stip verdwijnt in mijn achteruitkijkspiegel. Het poldergevoel is plots even terug. Dat fietsen in de wind. Dat oneindige lange fietspad. Dat gure, rationele en onvergeeflijke. Dan is er de brug en rijd ik Elburg in, en alles is ineens weer gewoon.

tulpen_flevoland

15 minutes of fame

Amersfoort. Net op tijd gehaald. Gauw een plek zoeken. Ah, dit hoekje is nog vrij. Haar domein. Jas uit en op het haakje. Waarom zijn die treinhaakjes zo lastig ’s morgens? Grote nepleren damestas op de stoel. Ze schudt haar vlassige haar in model. Het is nog nat van de ochtendlijke douchebeurt. Verder een slordige outfit: wonderlijk dat elk knoopje van het vaalblauwe bloesje het juiste knoopsgat heeft weten te treffen vanochtend. Om de spijkerbroek een onduidelijk bandje. Het zou bedoeld kunnen zijn als een riem. Misschien ook niet. De trein komt in beweging en de deodorant komt uit de tas. Een moment van beneveling. Heel even maar. En dan weer terug in de wereld van de trein.

Iets eten. Ja, een boterham. Muziekje erbij zou wel fijn zijn. Ipodje uit de tas. Even zoeken en draaien naar de goede playlist. Dopjes in de oren. Ah. Veel beter zo. En lekker ook, zo’n boterham. Zijn er nog appjes? Even op de telefoon kijken. Nee, nog niemand online. Bij eten hoort drinken. Een felrode hippe drinkflas met zuignap komt tevoorschijn. Ferme slokken terwijl Den Dolder aan ons voorbijschuift. Ontbijt ook weer achter de kiezen. O nee, vitaminepilletje vergeten. Klik, zo uit de strip gedrukt. Het ronde pilletje kan nog net met de laatste slok van de smoothie mee. Klaar. Triomfantelijk belandt de fles op zijn dop op het smalle tafeltje dat ons scheidt.

Bilthoven komt in zicht. De bouwput van het station. Maar geen tijd om er naar te kijken. Er zijn belangrijker dingen dan een fietstunnel in aanbouw. Tijd voor wat verzorging. Uit de tas komt materiaal dat op een operatiekamer niet misstaat. Oordopjes even uit. Eerst de wimpertang. Even zorgvuldig krullen, dit is een precisiewerkje. Dan de mascara. Spiegeltje. Schilderen in concentratie. De rest van de coupé bestaat even niet. Dan het ontspannen uitademen. Het zit er weer op. Nergens uitgeschoten. Het kan er weer mee door voor vandaag. Hoe is het buiten? Waar zijn we inmiddels?

Ipodje kan weer aan. Even een momentje van ontspanning, afleiding in een boek. Karen Slaughter, fijn voor de maandagmorgen. Station Overvecht. Moet wat om handen hebben. Iets te kauwen. Een kauwgompje. Handig, ook meteen een frisse adem. De trein mindert vaart. Het boek kan weer in de tas. Is het droog of kan de paraplu er meteen weer uit? Jas in elk geval vast van het haakje. Klaar om op te staan zodra de trein het station binnenschuift.

“Dames en heren, over enkele ogenblikken komen wij – geheel volgens dienstregeling – aan op Utrecht Centraal.” Het is weer gelukt. Ze heeft het gered. De dag kan beginnen.

dopper

Links gaan…

Een lange sliert forensen staat aan één kant van de roltrap. De linkerhelften van de treden glanzend leeg. Het kan nog, anno 2014. Het is zo’n moment dat mijn teleurstellingen in de Hollandse samenleving eventjes vergeten zijn. Lichtpuntjes met het gevoel ‘het kan wel!’ Als ik nu zou willen, kan ik rennen. Met twee treden tegelijk de roltrap op. Wat een mooie gedachte, ik moet zelfs de neiging onderdrukken, terwijl ik toch ruim op tijd ben voor mijn trein.

Het is een beeld dat ik alleen maar ken vanuit de Londense tubes. Als kind leerde ik al: Britten hebben altijd een paraplu en wachten netjes in de rij. Zelfs op de eindeloze roltrappen van de hoofdstedelijke Underground staan de Engelsen keurig achter elkaar. Je pikt de toeristen er zo uit. Gesprekken worden onderbroken, om na een minuut van zwijgende colonne weer voortgezet te worden. Op een roltrap sta je nu eenmaal achter elkaar.

In Nederland heerst het adagium “wie het eerst komt…”. Dus is het ellebogenwerk bij roltrappen, perrons, ingangen van de Bijenkorf tijdens de Doldwaze dagen, de kassa bij de Albert Heijn. Jaren geleden besloot NS-Poort, die over de stations gaat, dat de Nederlanders hierin maar eens opgevoed moesten worden. Met blauwe stickertjes werd de reiziger gemaand om op de roltrappen de Engelse code te hanteren. Links gaan, rechts staan. In Amersfoort werd het wat experimenteler aangepakt: er werden rode en groene voetstappen geschilderd op de roltrap van het eerste perron. Niet te missen.

Ik weet nog dat ik het zinloos vond. De Nederlander in het OV is niet te sturen. Geduld en fatsoen zijn allang verloren. Een vreemd, dierlijk soort kuddegedrag is hier norm geworden. Zeker op de momenten dat de dienstregeling van de NS flink van slag is en er onduidelijkheid is over de volgende trein lijkt alles geoorloofd op roltrappen en bij treindeuren. En als je er wat van zegt kunnen blikken direct doden.

Tot die ene ochtend in Amersfoort. Ik kwam erachter dat de campagne niet voor niets is geweest. Met de rij eenlingen boven me kreeg ik weer een sprankje hoop op de terugkeer van het fatsoen (iets wat de laatste tijd toch al een issue is, getuige de roep om fatsoen in de financiële sector). Zou het een trend worden? Ik was weer een ietsiepietsie meer trots op mijn positie als Hollandse forens. Met een glimlach stapte ik de roltrap af.

In dezelfde week nam ik bij uitzondering een keer een trein om een uur of twee ’s middags. Bij de roltrap bleek mijn prille geloof in het Hollandse fatsoen een illusie. Geen enkel stukje van de roltrap was onbenut. Roltrapfatsoen is kennelijk alleen op het drukste moment van de dag, in de spits, van toepassing. Wat een vreemd land is dit toch.

20140216-192736.jpg

Voorbijganger

De man zit achterin tram 7. Zijn haar lijkt op dat van Lambiek. Drie haren links en drie haren rechts op zijn ronde gezicht. Zijn grijze pantalon hangt op zijn navel en is boven veel breder dan onder om zijn ronde buik goed te kunnen omsluiten: een vormeloze oudemannenbroek. Hij staart wezenloos uit het raam en laat de Kinkerstraat aan zich voorbijglijden. Hij heeft een rauw gezicht, maar zijn blik staat vriendelijk, de scherpe kantjes zijn er inmiddels wel vanaf. Tussen zijn benen een boodschappentas van dik zwart linnen met een leren hengsel, van het degelijke soort. Een gouden horloge schittert aan zijn rechterarm. Op zijn linkeronderarm een verschoten tattoo, een getekende herinnering aan vervlogen tijden.

Welke herinneringen tekenen deze man? Wat maakt hem tot wat hij is? Zijn gestalte vertelt een verhaal, maar ik weet niet welke. Als de tram optrekt zie ik een glimp van wat de man vroeger was. Gretig drukt hij op de knop. Hij komt kwiek overeind om zich bij het hekje van de achterdeur op te stellen. Bij de Jan Pieter Heijestraat komt de tram tot stilstand en stapt de man uit. Nu is het weer de man op leeftijd. Behoedzaam neemt hij elke trede en landt hij op het smalle perron. Het gaat niet meer zo gemakkelijk als vroeger, maar hij heeft zich er volledig mee verzoend.

De deuren sluiten en de tram trekt andermaal op. De man draait meteen achter de tram langs de straat op. Zonder te kijken steekt hij over. Daarna kijkt hij wel drie, vier keer om, alsof hij zeker wil weten dat de tram echt verder gaat zonder hem. De brug op, de Witte de Withstraat in. Als de tram de hoek om gaat zie ik de grijze gestalte opgaan in het publiek van de Kinkerstraat. Vlak daarvoor kijkt hij nog één keer op. Dan is hij weer een van die duizenden Amsterdammers geworden. En ik denk aan die ene loodzware zin die mij vroeger al werd ingeprent: wij zijn allen voorbijgangers. Dat blijkt maar weer.

20140209-155703.jpg

Uit de toon

Er slaapt een man onder de Lange Jan, de toren van de Koorkerk die Middelburg zo kenmerkt. Hij ligt languit op een bankje, met zijn voeten in het luchtledige, de wreven over elkaar. Zijn matig versleten bootschoenen zweven in de lucht, alsof het bankje simpelweg een stukje te kort is voor de man. Het is geen zwerver. Integendeel. Zijn kaki broek is van het type Piet Zoomers en zijn Rayban zonnebril is verre van versleten. Zijn hond houdt de wacht naast staat een bord waarop staat dat je voor vier euro naar Middelburgs kroon kunt stijgen.

Het Koorkerkhof en de Koorkerkstraat liggen er verder verlaten bij. Een enkele verdwaalde toerist passeert de enorme kerk. Een jong stelletje bekijk het beeld van de Ringsteker even verderop. De tafeltjes en stoeltjes van café Desafinado staan werkeloos aan de rand van het plein. Muzieknoten sieren de gevel en het logo van het cafeetje dat uitkijkt op de Lange Jan en de slapende man.

Desafinado. Het is genoemd naar het beroemde lied van João Gilberto, de vader van de Bossa Nova die in de jaren ’60 furore maakte met zijn zachte Portugese stem en ritmisch reutelende gitaar. Ik leerde het lied pas kennen in 1998, toen zijn vrouw Astrud het samen met George Michael zong. De Bossa Nova was er toen wel uit verdwenen, maar de zachte stemmen bleven. Het gaat over muzikaliteit. “Uit de toon” is de letterlijke vertaling, met als hoofdboodschap: ook zing ik wat vals, mijn hart klopt voor jou. Je kunt veel zeggen van George Michael, maar vals zingt hij niet. En Astrud Gilberto al helemaal niet.

Terug naar de man op het bankje. Hij is inmiddels opgestaan, rookt zijn sigaretje en lijkt totaal geen haast te hebben. Blik op oneindig. Met dat zonnebrilletje heeft hij wel wat weg van George Michael. Een coole gast, totaal ontspannen. Heeft hij de Bossa Nova in de kop? Hij valt in elk geval uit de toon hier op het Koorkerkhof in Middelburg, waar iedereen een voorbijganger is of speelt. Even later ligt hij weer op zijn bankje, in precies dezelfde houding als daarvoor. Ook dat is een gave.

De vrouw en het meisje komen uit de deur van de Lange Jan. Ze hebben net Middelburgs kroon gezien. Opgetogen doen ze verslag van uitzicht, trappen en toren. De man komt weer overeind. Ook zijn hond komt weer in beweging. Hij dooft zijn peuk. Van het één op andere moment is hij een vader geworden, een familieman, zoals er zoveel zijn even verderop, op de Markt in Middelburg. George Michael is verder weg dan ooit.

20140126-165451.jpg