Ter Pelkwijkpark

Het Ter Pelkwijkpark is geen park maar een straat vlakbij het Kerkbrugje, aan de rand van het centrum van Zwolle. Er staan chique onderkomens waar voornamelijk bedrijven in gevestigd zijn. Even verderop is er een grasveld zonder naam. Hoe klein ook, het grasveldje heeft alles wat het Vondelpark ook heeft. Er staan een paar grote bomen, er is een bloemenperkje, een wandelpad en er is water op over uit te kijken. Mooi. Meer heeft een mens niet nodig. Mocht dat toch te weinig zijn, dan zijn er nog altijd de passerende fietsers die het Kerkbrugje oversteken.

Is dit soms het echte Ter Pelkwijkpark?

Aan de rand van het veldje staat het oorlogsmonument: een halfhurkende man die herinnert aan de Zwolse gevallenen. Hier wordt de jaarlijkse dodenherdenking gevierd. Elk jaar wordt die aangekondigd als “op het grasveld bij het Ter Pelkwijkpark”. Het veldje mag kennelijk de naam park niet dragen.

Als de eerste warme voorjaarsdag zich aankondigt strijken jongeren er neer, de chips en cola of iets sterkers bij de hand. De fietsers op het Kerkbrugje geven hun ogen goed de kost. Op de hoek bij de Wilhelminasingel staat de Viskraam van Timmerman. Ernaast staat een man in de klassieke haring-pose. Een paar kinderen van een jaar of tien spelen in het bloemperk bij het monument. Een jonge vader rent achter zijn zoontje aan, de bijbehorende moeder kijkt onder een eikenboom toe met de kleinste op schoot. Ach, iedereen heeft zo zijn eigen geluk.

Verderop zit een verliefd stelletje, hevig verdiept in elkaar. De fietsen nonchalant naast zich neergegooid. Ik zie het voor me: fietsend op de Wilhelminasingel worden gretige blikken uitgewisseld, tegelijk zoekend naar een goede gelegenheid om elkaar eens stevig beet te pakken en van de liefde te genieten. Gelukkig is daar het grasveld, en hop! Daar sturen twee fietsen eensgezind het gras in. Wat had ik hun entree graag gezien. Maar een mens is nooit op het juiste moment ter plaatse. Of met de woorden van Martin Bril: je mist meer dan je meemaakt.

foto: Jan Stockhorst
foto: Jan Stockhorst

2014-06-30T10:00:49+00:0030 juni 2014|Straattheater|

Haring en poëzie

Hij is er weer, de nieuwe haring. Trots geveild in Scheveningen en vervoerd naar alle uithoeken van het land. Ik tref de nieuwe haring op de Markt in Den Bosch. De Markt is een perfecte driehoek middenin het centrum, dat ook een driehoek is. Op de hoeken van de markt beginnen de straten die naar de uiterste hoeken van het centrum leiden: de Vughterstraat, de Hoge Steenweg, de Hinthamerstraat. Aan het begin van elke straat staat een viskraam. Zo kan het zomaar dat er drie viskramen staan op de grote markt van Den Bosch. En alledrie verkopen ze de nieuwe haring. Jawel.

Aan de kant van de Hoge Steenweg staan de gebroeders Krol. Hier gaat het er gemoedelijk aan toe. Voor de kar staat een bord met de tekst ‘papa mag ik kibbeling?’ De twee jongemannen die de verkoop doen hebben het liefkozend over ‘kibbelingetjes’. Op de vitrine staat een enorme pot met uit de kluiten gewassen zure bommen. De mannen weten wat lekker is. Achterin hangt een oranje postertje met de tekst “en in de rust… haring scoren”. Ook de vissector is in wk-sferen. Prima kar, de jongens van Krol. Ik wilde dat ik uit de Hoge Steenweg was komen lopen. Dan had ik de andere karren niet eens gezien.

Dan de kant van de Vughterstraat. Die wordt bediend door de zeevishandel van Henk Huiskes. Henk is een gedrongen veertiger met kort haar. Hij staat wat sceptisch broodjes paling te smeren en lijkt meer te praten dan dat hij verkoopt. Misschien komt dat omdat de Vughterstraat zelf ook al een viswinkel heeft: Gepkes-Ernst. Toch draaien de zaken prima. Er is aardig wat aanloop. Henk houdt van rijmelarij. ‘Vis van Henk, da’s een geschenk’ en ‘met deze paling neem ik u niet in de maling’ staat er op de kar geschilderd. Hij kan er wat van, die Henk.

Tot slot de Hinthamerstraat. Aan die kant staat, behoedzaam geparkeerd naast de fontein, de kraam van de Gepkens-Ernst. Dat is de winkel uit de Vughterstraat. Die lijkt het qua klantenbereik dus het beste voor elkaar te hebben. Zou Henk deze plek begeren? Een vrouw heft haar rechterarm om te beginnen aan haar vers gekochte versnapering. De haring bungelt tegen de donkerblauwe namiddaglucht. De drie jongedames in verschoten blauwe poloshirtjes kijken van achter de toonbank opgewekt hoe de klant de Hollandse Nieuwe door de uitjes schuift, de lucht in stuurt en daarna langzaam in de keel laat verdwijnen. Aan de balie hangt een gedicht: de levensbeschouwing van een haring heet het.

De vrouw veegt met een servet haar stevige mond af, knikt de verkoopsters toe en beent de Hinthamerstraat in. Ik kijk haar na en ineens weet ik zeker dat ze het gedicht niet eens heeft gezien. En ze heeft gelijk: over nieuwe haring moet je niet praten, dichten of rijmen. Nieuwe haring moet je eten.

Lees ook: Boerke van Balkum

Lees ook: Geertruidenberg

Lees ook: Zichtbaar kattenkwaad

2014-06-23T10:00:17+00:0023 juni 2014|Straattheater|

Gelukje

Je hebt bussen die je mist en bussen die je haalt. Ik zat in een bus van de laatste categorie. Geen beter gevoel dan een gehaalde bus. Ook al heb je ruim de tijd, toch voelt het als een kleine overwinning. Die bus reed daar. En ik stond daar. Op tijd. Ik heb ’t ‘m weer geflikt.

Het is donderdagmiddag en de zon schijnt uitbundig. Mijn bus zit goed vol. Forensen kijken langs elkaar heen uit het raam of op hun telefoon. Utrecht glijdt aan mij voorbij. Het overwinningsgevoel ebt weg. Ineens is het vanzelfsprekend dat ik in deze bus Utrecht doorkruis. Dit is mijn bus, alsof het nooit anders is geweest.

Bij de volgende halte staat een nieuwe groep reizigers klaar. Soepel glijden de chipkaarten langs de lezer. De chauffeur begroet elke forens enthousiast. Juist op het moment dat hij de deuren wil sluiten komen ze aanrennen: twee meisjes van een jaar of twintig. De een blond, de ander gitzwart. De één een rugzakje, de ander een viool. Ze rennen niet, maar ze stormen op de bus af, alsof hun leven ervan af hangt.

De chauffeur wacht en laat de meisjes binnen, de vriendelijkheid zelve. Opluchting alom. Blije gezichten, stralend van euforie: hún bus. Ze hebben hem toch maar mooi gehaald. Maar heel lang wordt er niet bij het moment stilgestaan. Er wordt gerept over het halen van treinen. Misschien lukt het nog wel, dat zou prachtig zijn. De bus maakt een bocht en de zon schijnt even volop in de gezichten van de jonge meiden. Het leven hangt van gelukjes aan elkaar.

2014-06-20T12:52:40+00:0020 juni 2014|Treinleven|

Thuisreis

‘Goed stilzitten jongen, als je beweegt ga je vallen!’ In de Wismarstraat in Zwolle staat de vader met zijn zoons, drie jongens met onschuldig blond haar. Zijn fiets, een zilvergrijs yuppenmodelletje, staat midden op straat geparkeerd. De oudste van de drie jongens heeft wiebelig plaatsgenomen op het stuurzitje, normaliter het domein van de jongste. De middelste en de jongste hebben ieder een eigen fiets, een stoere kindermountainbike. Het kinderzitje bij vader achterop is leeg. Een kinderrugzak bungelt er troosteloos aan.

De zon schijnt zoals die alleen op een warme namiddag schijnen kan. De vader veegt het zweet van zijn voorhoofd. Grote plekken sieren zijn witte overhemd bij de oksels. Daaronder het zwarte krijtstreepje en de strak gepoetste schoenen. Hij zucht en schudt zijn krullen nog eens flink op voordat hij de jongste op de fiets hijst. Aan alles zie je dat hij er geen zin in heeft, dit gedoe. Hiij wil naar huis, aan de karbonade en daarna een zomeravond met een glaasje wijn in de tuin. Hij verlangt er nu al naar.

De oudste zit er beteuterd bij. Hij wil wel protesteren, maar kan niet. Hij kan elk moment met fiets en al tegen de grond gaan. Met geknepen oogjes kijkt hij strak vooruit. Het kan van de ingehouden woede zijn of van de namiddagzon, dat is niet helemaal duidelijk. De middelste kijkt verveeld rond. Hij zit hier ook niet op te wachten, en kan natuurlijk al lang alleen naar huis fietsen. Maar hij wacht geduldig af.

Glimlachend sla ik het tafereel gade, halt houdend in de buurt van de fiets om deze op te vangen als het misgaat. Vader geeft nu instructies. De jongste krijgt een duw in de rug mee en gaat dan onzeker op weg. Terwijl vader hem nakijkt kruisen onze blikken elkaar, maar er is geen contact. De blik van verstandhouding blijft uit.
Zonde.
De man is niet meer in staat tot relativerende blikken. Waarschijnlijk is hij al lang in gedachten bij zijn vrouw, die ongetwijfeld een mening heeft over hoe hij dit nu aanpakt. Zou het flesje wit trouwens al in de koelkast staan?

Vader klimt op zijn fiets. Het gezelschap verdwijnt in de bocht van de Wismarstraat. Het enige dat achterblijft is een blauwerode teenslipper, als een stille getuige van het zojuist gebeurde. Ik kan een nieuwe glimlach niet onderdrukken. Het wordt inderdaad een prachtige zomeravond.

2014-06-12T21:17:56+00:0012 juni 2014|Het stalen ros, Van verstandhouding|