Tijdelijkheid

Het oude streekbusstation ligt er maar verlaten bij. Werkeloos, sinds het nieuwe busstation in gebruik is. De halteborden staan er nog. Ontdaan van informatie, als stille getuigen van de vroegere ochtenddynamiek. Het beton ademt nog de frustratie van duizenden op een haar na gemiste bussen. Op mijn netvlies het beeld van de chauffeur die stoïcijns zijn bus de bocht om zwaait, de Oosterlaan op. Een plek van kortstondig wachten is getransformeerd tot een plek waar men langsloopt, onderweg van fiets naar station. Een tijdelijke plek is permanent geworden.

Toch hangt er nu weer een tijdelijke sfeer. “Tijdelijkheid” verder lezen

Terug van weggeweest

De verkeersregelaars zijn terug. Ik begon ze al te missen, op mijn dagelijkse fietstochtje door de ochtendspits. De chaos van de af- en aanrijdende blauwe bussen, laverend tussen de drommen studenten, in bedwang gehouden door mannen met hesjes en rode handlampen en plastic blokken, in dreigend rood en wit. Dat wespennest heeft plaats gemaakt voor een waterig lentezonnetje boven een stille stroken van beton. Afgeschreven beton.

“Terug van weggeweest” verder lezen

Carnaval der dieren (2)

De donkere dagen voor kerst zijn weer aangebroken. De bussen zijn niet blauw maar grijs, hun oranje letters steken fel af tegen het ochtendgloren. De kou snijdt door mijn spijkerbroek. En vanavond, als alles zich omgekeerd voltrekt, zal het niet anders zijn. Het dagelijks transport heeft zich verplaatst naar de donkerte.

Eén van de lampen van het busstation flikkert een paar keer en laat nog meer donkerte achter. Ik weet zeker dat een ambtenaar zich komende week druk zal gaan maken om die lamp. Want de dagelijkse forensen dienen verlicht te zijn. Ze hebben het hard nodig, deze dagen.

Terwijl de hemel oranje kleurt achter de oude blauwe vakwerkbrug krijsen een paar meeuwen om een oude boterham: hun ontbijt. Pas als lijn 29 naar Dedemsvaart optrekt maken ze plaats, om een paar seconden later weer neer te strijken. Ik besef dat we nog wat van die meeuwen kunnen leren. Ontbijten bij het ochtendgloren, we waren al bijna weer vergeten hoe dat voelt.

Vertrek

Blauwe bussen zwenken door een haag van platanen. Het busstation getooid door de zomer, elke halte zijn eigen plataan. De Zwolse Oosterlaan doet zijn naam eer aan. Hordes scholieren en forensen worden opgeslokt en naar verder gebracht. De eerste ochtendspits van het jaar. Ieder in zijn rol. De raderen draaien weer. Twee meisjes steken al kwebbelend hun hand op. Nonchalant, als is er geen gevaar. Lijn 29 naar Coevorden maakt zijn eerste stop, na een meter of 10. De valreep. Wapperende krullen. Terwijl ze naar hun plaats stommelen maakt de chauffeur zijn draai naar de grote weg. Net op tijd grijpt ze een lus. Het jaar is nog lang.

Theater op het busstation

Voor het busstation van Zwolle is er even theater. Blauwe bussen vormen het decor. Twee mannen spelen de hoofdrol. Mannen die elkaar niet kennen, zelfs nog nooit gezien hebben. En toch spelen ze prachtig samen.

De ene man zit in een taxi. De andere rijdt op een racefiets. De taxichauffeur doet wat hij altijd doet. Hij neemt de rotonde voor het station. Hij schuift voor de rij blauwe bussen langs en zwiept zo de taxistandplaats op, die eigenlijk ook een soort bushalte is. Althans, hij is net zo diagonaal aangelegd, en heeft net zo’n iel perronetje van klinkers als de bussen is toebedeeld. Met een flinke trap op de rem komt de man tot stilstand, precies achter zijn collega, die zijn volgende klant juist helpt instappen.

Althans, zo had het moeten gaan. De tweede hoofdrolspeler gooit roet in het eten. Met zijn racefietsje wurmt hij zich langs de bussen voor de taxi langs. Dat kan niet goed gaan. Er is geen geluid. Remmen piepen niet. De man valt van zijn fiets.

Van je fiets vallen is ook een kunst. En wielrenners verstaan die kunst. Zelfs in de eindsprint van een touretappe kunnen renners nog prachtig vallen. En in de herhaling in slow motion is het nog mooier. Het zwaaiende voorwiel. De grimas. De wenteling. Het is bijna genieten, zo’n val. Maar dat is dan weer leedvermaak. Bij deze man is geen slow motion nodig. De man valt prachtig. Dit is geen val maar een buiteling. Tot twee keer toe rolt hij over de kop, precies over het diagonale perronetje van de taxistandplaats. Alsof het ervoor gemaakt is. Dan komt hij in één beweging overeind. Afsluitend veert hij nog even door zijn benen. Op het elegante af.

Kunst. Valkunst. Theater.

Hij kijkt de chauffeur indringend aan en slaat met de vlakke hand tegen het voorhoofd. Stom! Stom! Stom! De schrik en de woede spat eraf. Het is onduidelijk of hij zichzelf of de taxichauffeur de nalatigheid verwijt. De renner mankeert niets, en taxichauffeur heeft het alleen maar heel erg warm. De taxi heeft nog geen krasje. Een paar zweetdruppels op de voorbumper, daar blijft het wel bij. Het voorwiel van de racefiets is flink krom. De taxichauffeur komt uit zijn auto en er worden excuses gemaakt, gegevens uitgewisseld. Men praat nog wat na. Einde eerste acte. Het podium is weer busstation geworden.

De man heeft geluk. Hij kan meteen een taxi naar huis nemen, hij staat immers al op het perronnetje. Maar dat lijkt hem geen goed idee. Met zijn kromme fiets loopt hij naar het station. Voor hem voorlopig geen taxi’s meer.

 

foto: Google maps
foto: Google maps