Gebbetje van beton

Hoe zou het ondertussen in Zoetermeer zijn? De meeste landgenoten zullen er vooral voorbijrijden over de A12. Maar ook op de snelweg is de Haagse slaapstad niet te missen. Zoetermeer heeft namelijk de Nelson Mandelabrug. Een flink gevaarte met veel beton, ronde vormen en een glazen kap, dwars over de snelweg heengelegd. Een brug die wel even indruk maakt. Niet te missen, zo tussen de kassen van Bleiswijk en het Prins Clausplein in, net zoals de man waarnaar hij is vernoemd overigens.

De brug werd aangelegd voor de Floriade van 1992, die toen aan de zuidkant van de A12 was aangelegd. Aan de stadskant lag al een Afrikaweg, dus de keuze voor de Zuidafrikaanse held, die toen pas twee jaar vrij was en volop bouwde aan zijn land, lag voor de hand. Een andere relatie tussen de betonnen ronde vormen en Mandela zelf is er op het eerste gezicht niet, dus ga ik op zoek naar aanwijzingen over de naamgeving. Misschien verbeeldt de brug de gang van de grauwe jaren ’70-samenleving naar het bloemrijke paradijs van de Floriade? In dat geval heeft de brug zijn figuurlijke functie verloren: op het Floriadeterrein is ergens in de jaren ’90 een knots van een woonwijk verrezen: Rokkeveen. Zoetermeer gaat gewoon verder waar het gebleven was, maar dan aan de andere kant van de A12.

Zoetermeer is trouwens niet de enige. In Utrecht heb je ook een Nelson Mandelabrug. In niets lijkt deze op zijn Zoetermeerse collega. Een flets mintgroene ophaalcontructie in de Van Zijstweg, een lelijke verkeersweg achter de Jaarbeurs. Op de brug is het zwart-geel-groen van het ANC aangebracht als een vlaggetje. Daarin de naam van de Afrikaanse leider. Het vloekt bij het mintgroen van het koele staal. Een brug die de status van Mandela eigenlijk niet waard is.

En dan heb je nog de Mandelabrug in Arnhem. Een kloeke brug die je het drukke centrum uit voert en uitzicht biedt op de uiterwaarden van de Rijn. Het serieuze bruggenwerk. Een lange overspanning die het Hollandse rivierenlandschap doorsnijdt, midden in de stad. In Arnhem weten ze wel hoe belangrijk bruggen zijn. Daarmee vergeleken steekt zelfs het Zoetermeerse exemplaar schril af. Bijna grappig met die ronde vormen. Een gebbetje van glas en beton.

Alhoewel, dat Zoetermeerse gebbetje overspant wel ongeveer alle soorten infrastructuur die je kunt verzinnen. Snelweg, spoorlijn, metrolijn, twee stadswegen en een paar slootjes. De brug trekt zich er niets van aan, en gaat overal gewoon overheen. Een verbindende factor in zijn typerende eigen stijl. Een mooiere verwijzing naar Mandela is er volgens mij niet.

20140709-205655.jpg

20140513-073700.jpg

Voor de bel binnen

De bel gaat en de Rijnhuizerbrug gaat open. Niets bijzonders.

De Rijnhuizerbrug is een gewone brug in Nieuwegein, of eigenlijk in Jutphaas, een van de oude dorpen waar Nieuwegein in de jaren ’70 omheen is gebouwd . De ophaalbrug is netjes beige geverfd, heeft mooie roodwitte slagbomen en langs de kant een klein vlonder waar ‘s zomers een terras op staat. Een brugwachter is nergens te bekennen. Waarschijnlijk is dat een mannetje in een saai kantoor ergens in Utrecht.

Jutphaas lijkt ook een gewoon dorp te zijn. Het oude gemeentehuis staat er nog, een statig grachtenpand van het formaat ‘fors woonhuis’ langs de Vaartsche Rijn. Op het kleine bordesje staan twee betonnen leeuwenkoppen. Het bordje eronder vertelt dat er in de oorlog een vuurgevecht is geweest in Jutphaas. Zes mensen en de kin van de linkerleeuw sneuvelden. Het waren heftige tijden.

De straat van het gemeentehuis, de Herenstraat, is de straat waar het gebeurt in Jutphaas. Of misschien wel in heel Nieuwegein. Tapperij ‘t kruikje zit er, en verderop café biljart De Zwaan en cafetaria ‘het geveltje’. Recht tegenover de brug, op het hoekje met de Nedereindseweg zit een ijssalon die Toscane heet. Op het onvermijdelijke houten bankje ervoor zitten een opa en oma met hun kleinkinderen te genieten van een ijsje. Al schijnt de zon niet echt, het doet zomers aan.

Twee schepen komen de Vaartsche Rijn afgevaren, en dus moet de Rijnhuizerbrug open. De bel gaat. De opa en oma kijken op, hun kleinkinderen ook. De slagbomen gaan neer. En dan komt ze eraan.

Ze komt vanaf de overkant aangereden. De vrouw is van middelbare leeftijd en heeft haast. Veel haast. Ze heeft geen tijd voor de Rijnhuizerbrug. Maar de bellen rinkelen al. Een schel en indringende rinkel. Zo dwingend als een schoolbel. De vrouw bedenkt zich geen moment en fietst nog net ineengedoken onder de slagboom door. Nog net op tijd.

Maar voor de tweede slagboom is ze te laat. Wat nu? Vliegensvlug stapt ze af, en behendig kantelt ze haar fiets en duwt die bukkend onder de gesloten slagboom door. Ze stapt weer op en met een grote boog verlaat ze het brugdek. Ze kijkt even naar de opa en oma en de kleinkinderen. Haar gezicht laat een mengeling van triomf en  schuldgevoel zien. Want er zijn wel kleine kinderen bij.

Achter haar kantelt het brugdek langzaam omhoog en schuift het Overijsselse motorjacht Odin er al onderdoor. De onderkant van het brugdek blijkt knalrood te zijn.

IMG_0263

De rode brug

Ik fiets op de brug bij Hattem. De grote rode, sierlijke spoorbrug over de IJssel die de naam ‘Hanzeboog’ heeft gekregen. Het doet Amerikaans aan. Een groot stalen bouwwerk, geschilderd in brandweerrood. Dit is een brug met hoofdletter B. Een robuust stuk staal dat je over de brede, glinsterende rivier naar huis brengt. Daniël Lohues schreef er een liedje over, “Ten Oosten van de Iessel”, dat des te meer van toepassing is op dit rode gevaarte:

“En be’j de brugge ienmoal over dan be’j zowat weer thuus”

en dat geldt dan voor “Silvolde in ‘t Zuuden tot an Delfziel in het Noorden”, oftewel iedereen die via Zwolle naar het noorden/oosten van het land reist. Voor Hattemse scholieren werkt het precies andersom. Ze zitten in Zwolle op school en fietsen mij tegemoet in groepen. Roepend en schreeuwend, op zoek naar bevestiging van hun vrienden. Ze zijn zich niet bewust van de rode schoonheid die hen over de IJssel brengt.

Tussen de groepen in fietst een meisje alleen. Lange blonde haren, en een volle rugzak op de bagadrager. Een jaar of veertien zal ze zijn. Met één hand aan het stuur probeert ze haar telefoon te bedwingen. Ze is niet hier, maar ergens anders. Vriendin? Vriendje? Bezorgde moeder? Haar vegende duim is haar toegang tot de wereld. Ze let niet op en rijdt met haar fiets langzaam de berm in, geholpen door de vaart die het talud haar geeft.

Net op tijd komt ze terug in het hier en nu, en ze stuurt haar fiets terug het fietspad op. Ze kijkt op, schuldbewust, en onze blikken kruisen elkaar een fractie van een ogenblik. Ze ziet aan mij dat ik haar zoëven zag. Geen woord. En ik weet dat ze weet dat ik haar zag. En ook dát heeft ze gezien. Nogmaals, schuldbewust.

Op de achtergrond strekt de rode loper over de IJssel zich voor mij uit. Eroverheen dendert de intercity naar Groningen, met daarin allemaal mensen die “zowat weer thuus” zijn. En de rode brug? De brug slaat het allemaal stilzwijgend gade.

Hanzeboog