Pieter Roelf

In mijn jongensjaren was er een jongen uit Groningen: Pieter Roelf. Vanaf een jaar of 8 stond ik met ‘m op en ging ik met ‘m naar bed. Zijn boeken, kleine en grote, viste ik uit de grote boekenkast van mijn ouders en nam ik mee naar mijn jongenskamer, waar ik ze avond aan avond verslond. Pagina voor pagina spelde ik uit. Toen ik achttien was had ik geld genoeg om zelf zo’n boek te kopen. Glimmend stapte ik de boekhandel uit met een nieuwe druk van Pieter Roelf.

“Pieter Roelf” verder lezen

Relatief

De Blijhamsterstraat is een smal straatje aan de zuidrand van het centrum van Winschoten en loopt, de naam zegt het al, naar Blijham, een veendorp even verderop. Hoewel Winschoten een bloeiend centrum heeft, schreeuwt de leegstand je hier tegemoet. Er zaten winkels, bovenwoningen. Hier werden verhalen geschreven van nuchtere ondernemers die het Oldambt bedienen. Die bezorgden van Scheemda tot Delfzijl. Er zat een webdesigener (vertrokken). Er zat een stoffeerder (failliet). Hier werd ruzie gemaakt, groeiden kinderen op, werd gelachen, werd geleefd. Wat rest zijn dichtgetimmerde ramen en een enkele passant die de leegstand bewondert of verguist.

Een oma met een kindje passeert mij. ‘ouwe troep! ouwe troep! Ouwe troep!’ roept ze steeds. Haar oma lijkt zich een beetje te generen, maar corrigeert het meisje niet. Verderop, op de hoek bij de torenstraat zitten twee pubers te niksen. De kerel toont zijn ontbloot bovenlijf aan de prille voorjaarszon. Zijn tepelpiercing schittert ervan, maar het maakt geen indruk op het meisje naast hem. Ze staart onafgebroken maar naar zijn scooter. Door dat vehikel ligt de rest van de wereld open. Misschien rijden ze vanavond wel naar Blijham. Of naar Groningen om zich te bezatten op een feest.

Blijhamsterstraat-RosaEverts

Op de Carolieweg is het al niet veel beter, al wordt daar – zowaar – wat nieuws gebouwd. ‘Een aantal panden was zo verouderd dat het maar tegen de vlakte is gegooid. Er was geen beginnen meer aan’ vertelt de barman van de tegenover gelegen kroeg. Er komen nieuwe appartementen in voor jongeren van 18 tot 25 jaar.

Maar Winschoten klaagt niet. ‘Nee, de mensen die klagen, dat is de import’, vertelt de barman. ‘De mensen uit de Randstad enzo. Die klagen. Over leegstand, over geluidoverlast, over krimp. Nee, de mensen hier, die vinden het allemaal best. Wilt u er nog één?’ Met zijn grote lichaam buigt hij over de toog en met een nonachalante beweging vult hij het glas dat prachtig scheef onder de tap hangt. Buiten echoot de kinderstem nog door de Blijhamsterstraat.

Rosa Everts maakt tekeningen van leegstaande panden in Nederland en buitenland. Klik hier voor haar website

Als een spiegel van de ziel

Een schuldgevoel bekruipt me als ik tegenover d’Oude Bakkerij in Groningen sta. Het markante pand staat op de kop van de Korreweg in een stukje niemandsland in de Ebbingestraat. Zijn jaren ’70 stijl detoneert flink te midden van de 19e eeuwse straten aan de rand van de Groninger binnenstad. De betonnen dakpannen ademen de sfeer van Bijum, van buitenwijken en moderniteit, van bielzen en van hofjes. De saaie bakstenen worden sinds jaar en dag opgevrolijkt met felgekleurd houtwerk in rood, geel en blauw. Hoe langer ik ernaar kijk, hoe heviger dat schuldgevoel op komt zetten.

Kan men zich schuldig voelen tegenover een gebouw? Men zegt dat oude gebouwen een ziel hebben. In dat geval is een schuldgevoel zomaar mogelijk. Maar een oud gebouw is als een spiegel van de ziel: het is de bewoner die het een ziel toekent, als construct van zijn associaties, gedachten en herinneringen. Dat maakt oude gebouwen eigenlijk altijd interessanter dan pas opgeleverd beton. In prefab huist geen ziel.

Jarenlang fietste ik voorbij het jaren ’70-pand en heb ik me afgevraagd waarom een modern gebouw de naam d’oude bakkerij heeft meegekregen. Een naam als vlag op een modderschuit alsof het kunstmatig een ziel werd toegekend. Een beetje aanstellerig zelfs, met die komma. De aanname is gauw gemaakt. Vroeger een bakkerij. Grote brand in de jaren ’70. Nieuw pand met behoud van de naam want die Oude Bakkerij mag niet verloren gaan.

IMG_1424

Maar ik heb me vergist. Jarenlang was ik afgeleid door de felle kleuren of fietste ik in gedachten voorbij. Jarenlang wilde ik alleen die naam zien en keek ik niet naar het gebouw, niet naar de grote sierlijst langs de dakgoot aan de voorzijde, niet naar de kalkvoegen, niet naar de details boven de ramen op de eerste verdieping, niet naar de kleuren die waren bedoeld om de oude bakkerij aan de nieuwbouw vast te smeden, om het gebouw eenheid te geven. Jarenlang heb ik wel gekeken maar niet gezien. Ik heb dit oude pand jarenlang in gedachten tekort gedaan.

Kan men zich schuldig voelen tegenover een gebouw? Terwijl ik mijmerend de Korreweg oversteek wordt het antwoord mij in de schoot geworpen. Een dame op leeftijd en een jonge studente staan voor het kleurige pand en voeren een keuvelend gesprek tussen de generaties. Dan valt de oudere het jonge meisje bruusk in de rede: “Jij oordeelt al voordat je iets gezien hebt”. Ik krimp ineen en loop door, in de richting van het Noorderstation. De blik van d’Oude Bakkerij prikt in mijn rug. Het pand is voor even de spiegel van mijn ziel. En ik voel me schuldig. Diep schuldig.

Stoeldraaierstraat

‘Wöllen Sie etwas zu trinken?’ In dapper Duits begint de jonge serveerster over Brötchen en Croissant. Bij het beleg wordt het haar teveel en vraagt ze gauw of de gasten toevallig ook Engels spreken. “Three toppings per person” ‘raw ham’, ‘camembert’, het komt er moeiteloos uit, terwijl haar r op een on-engelse manier van de tong rolt. Een Franse croissanterie waarin Duitse gasten in het Engels geholpen worden: dat is vragen om problemen. En dat alles in de Groningse Stoeldraaierstraat op een gewone doordeweekse morgen.

Het is nog vroeg. Leveranciers rijden af en aan en de zon moet het Groningse plaveisel nog goud kleuren. Ik laat mijn blik langs de panden gaan en denk aan Piet Pellenbarg, de Groningse Hoogleraar economische geografie die de straat eens als voorbeeld nam voor een of ander geografisch verschijnsel. Het enige wat ik me van dat college herinner is de typisch noordelijke manier waarop hij de straatnaam uitsprak. Die vette klemtoon op de oe, die dikke t op het einde. Heerlijk.

Zou Piet Pellenbarg het over de toenemende internationalisering hebben gehad? De toenemende eenvormigheid van de Hollandse en zelfs Europese winkelstraten? Kan zijn. Tegenover croissanterie (let op: geen broodjeszaak) zit een gloednieuwe vestiging van America Today. Verder nog een ‘Leads’, een Travelshop een Golden sleep en kledingwinkel La Ligna. Daar is geen woord Gronings aan. Op de menukaart staat een croque monsieur en geen tosti, ook al zoiets. Toch is de Stoeldraaierstraat niet het beste voorbeeld van de eenheidsworst op winkelgebied. De lokale ondernemers Flokstra en Woldring en de kinderboekhandel houden er sinds jaar en dag de Groningse eer hoog.

‘Gaan we All Stars kopen?’ Een jongetje staat stil en wijst zijn moeder op de gympen in de etalage. ‘Die heb je al schat’. En het duo verdwijnt in de richting van de Vismarkt. Ik kijk ze na en vang nog net een glimp op van Neptunus, fier bovenop de karakteristieke Korenbeurs. Aan de andere kant de Oude Kijk In ’t Jatstraat – ook al zo’n prachtige naam – met op de achtergrond het torentje van het Academiegebouw. Terwijl ik het internationale karakter van de Stoeldraaierstraat overpeins, bedient de serveerster de Duitse gasten met croissants en een kaasplankje. ‘Alstublieft’ zegt ze met een klein Gronings accent. Een bestelbusje van Knols Koek rijdt zachtjes brommend door de straat, ambachtelijke bakkerij sinds 1923. En dan besef ik weer dat een stad als deze zijn wortels nooit zal verloochenen.

Noorderplantsoen

Jaren geleden maakte ik kennis met het Noorderplantsoen in Groningen. Ik liep door de Oranjebuurt, en pal achter de Nassaulaan lag daar ineens een grote vijver in het groen: het Noorderplantsoen.

Het Noorderplantsoen is een park met vijverpartijen, paden en lanen. Heel klassiek. Het functioneert als stadspark, maar zo heet het niet. Het stadspark werd pas later aan de zuidkant van de stad aangelegd, en heet stadspárk, met de Groningse klemtoon op het park. Het Noorderplantsoen heeft geen last van klemtoonverwarring. Een plantsoen is immers overal gewoon plantsoen.

Er zijn taferelen zoals in elk park. Studenten op de trappen langs de vijver, de wilgen hangend in het water. Een dame op leeftijd die de voorbijgangers aan zich voorbij laat gaan, haar hondje fier naast haar, zittend op de bank. En een koffietent met de mooiste naam van Nederland: ‘Jantje zag eens pruimen hangen’ – inmiddels is die naam alweer verleden tijd. Zonde, want die naam maakte indruk, die eerste keer in het Noorderplantsoen.

Ik liep het fietspad af, dat nog druk was voor een park. Maar niet voor het Noorderplantsoen. Dat is geknipt voor grote stromen fietsers. Het is een perfecte verbinding van het noorden naar het westen van de stad. Zó perfect zelfs, dat de Ronde van Italië het plantsoen in zijn proloog had opgenomen. De renners vlogen vanuit de Ebbingestraat zó het plantsoen in passeerde de straten die het park kruisen, zonder dat je er erg in hebt. Kerklaan, Moesstraat, en uiteindelijk de Wilhelminasingel.

Ik deed de route net omgekeerd en kwam uit bij de Nieuw Ebbingestraat. Daar trof ik een fontein in de vorm van een gezicht, een beeld dat mij om diverse redenen nog lang zal heugen. Zo moest ik er laatst nog aan denken, toen ik in het Amsterdamse Oosterpark voor het gedenkbeeld ‘de Schreeuw’ voor Theo van Gogh stond. Ook zo’n gezichtsprofiel. Ook zo’n blauwgroene kleur. Maar zonder fontein toch niet helemaal compleet.

Ik keerde om en deed het park nog een keer, want het was beslist de moeite waard. De Moesstraat, het gezicht op de Nieuwe Boteringestraat. De vijver. ‘Jantje’ en de fietsers. De Kerklaan. De dame met haar hond, inmiddels twee bankjes verder. De hangende studenten, de skatende tiener en tot slot de kinderspeelplaats vlakbij de Nassaulaan. Thuisgekomen deed ik de radio aan en hoorde ik het nieuws over twee vliegtuigen die twee torens hadden doorboord, en ik was blij dat ik die dag dat Groningse park had leren kennen.

foto: Gideon de Kok
foto: Gideon de Kok