Op een stille dijk

Ik draai de dijk op en zet de autoradio uit. De regen klettert op het dak maar in mijn auto kan ik een speld horen vallen. Het komt door de aanblik van het lege landschap. Het grote niets omarmt me, de stilte grijpt me. Ik ben alleen met de vogels, even één met de natuur. De kille, genadeloze dijk laat geen ruimte voor andere toeschouwers. Aan de ene kant het IJsselmeer, waar je met helder weer de vuurtoren van Urk kunt zien. Aan de andere kant het altijd troebele Markermeer. De grote troepen vogels rusten er uit op de kleine meanderende dammetjes van basalt.

Hoe hij heet, daar verschillen de meningen over. De een heeft het over Markerwaarddijk en de ander over Houtribdijk. Onlangs bracht de Flevopost hierover opheldering: de Houtribdijk is het dijklichaam, de waterkering. De Markerwaarddijk is de provinciale weg die over de dijk is heengelegd. Het is een onderscheid dat bij de ambtenaren van de provincie en Rijkswaterstaat nog wel aankomt, maar de volksmond zeker overstijgt. Bij een ongeluk op de dijk rept het filenieuws van ‘dijk Enkhuizen-Lelystad’, wat de discussie direct in perspectief plaatst.

Markerwaarddijk. Hij verwijst naar iets dat er niet is en, zoals het er nu naar uitziet, ook nooit zal komen. De dijk en zijn vorm laat zien hoe het had moeten worden, hoe groot de behoefte aan grootschalige landbouwgrond in de wederopbouwperiode nog was. Wat rest is een dunne streep op de kaart, als stille getuige van het halt dat onze inpolderingsdrift is toegeroepen. De Nederlanders en het water: het kan verkeren.

Eind jaren ’90 was er een kunstproject dat inspeelde op de stilte van de dijk. Kunstenares Moniek Toebosch bedacht een radiozender die alleen maar galmende klanken uitzond. Atonale klanken van hemelse muziek, altijd maar door, tot in het oneindige. De Engelenzender. Op 98.0 FM kwam de zender vanuit Lelystad kraakhelder de auto binnen, zodat er al rijdend door het lege landschap van de dijk en het water een intieme sfeer ontstond in de auto. Omringd door Engelenklanken doorkliefde je het desolate IJsselmeerlandschap, even alles vergetend. Tot de roodwitte borden van de haakse bocht bij Lelystad je in de rauwe werkelijkheid van het verkeer duwden en de stip op de horizon ineens een medeweggebruiker bleek te zijn.

Ach ja, de haakse bocht. Hij is onderdeel van ‘die rare lus bij Lelystad’ die alleen met een luchtfoto erbij uit te leggen is. Al jaren zijn er plannen om hem er uit te halen, zodat het verkeer vanuit Enkhuizen rechtdoor, boven Lelystad langs de polder in kan. Er is een flinke tunnel of een brug voor nodig en een heleboel geld. Maar het zou jammer zijn als de haakse bocht verdwijnt. Die eenzame bocht licht een tipje van de sluier op als het gaat om de contouren van de Markerwaard. Liggend middenin het IJsselmeer vertolkt hij de voortvarendheid waarmee de Flevopolders zijn drooggelegd. En het is tegelijk een beeld van van het voortschrijdend inzicht van de maatschappij dat een rem zette op die voortvarende ingenieurs.

Het engelengezang is inmiddels alweer jaren geleden wegbezuinigd maar die bocht in die stille dijk zal er voorlopig nog wel blijven. Haastige automobilisten zullen er hun dijkrit, dromerig of niet, even voor moeten onderbreken om gas terug te nemen. Het staat symbool voor de rem op onze inpolderingsdrang. Nederland is niet te plannen.

Klaverblad

Het klaverblad is de mooiste metafoor in de taal van de snelweg. Een knisperend lichtpuntje tussen droge termen als vangrail, afrit of weghelft. De Fransen hebben de poëzie van hun ‘aires’. Wij hebben het klaverblad: Deil, Hoevelaken, Heerenveen, Zaarderheiken, Ressen, Stein, Beekbergen: vanuit de lucht gezien zijn het kleine hoogtepunten der symmetrie. Het kan niet anders of ze moeten hun oorsprong wel moeten in de natuur. Maar wie een precieze vergelijking met de natuur maakt komt bedrogen uit: het gaat hier eigenlijk om vier klaverbladen. De lussen van het knooppunt zijn elk een klaverblad. Het knooppunt zou daarom eigenlijk klavertje-vier moeten heten. Maar ja, dat is natuurlijk wat lang en past voor geen meter bij het imago van snelweg.

Het mooie aan een volmaakt klaverblad is dat je er eindeloos rondjes op kunt rijden. Ooit deed ik dat eens om aan een file te ontkomen. Ik prentte de kleur en het merk van het busje voor mij goed in mijn hoofd en nam vervolgens flierefluitend drie korte lussen in plaats van de stapvoetse flauwe bocht. Natuurlijk leverde het niet veel op, behalve boze blikken van medebestuurders: ik voegde slechts een paar auto’s voor het busje weer in. Maar het gevoel pakten ze mij niet meer af: telkens hetzelfde viaduct, dan weer onderlangs en dan weer bovenlangs passerend en de schier eindeloze bocht naar rechts, als tegenhanger van de eeuwige bocht naar links op de snelwegrotondes.

Maar het klaverblad lijkt op zijn eind te komen. Rijkswaterstaat morrelt op steeds meer plekken aan het toppunt van symmetrie op de snelweg. Fly-overs komen er voor in de plaats. Niet meteen vier, zoals op het Prins Clausplein – dat zou veel te duur zijn – maar meestal één of twee. Stuk voor stuk gaan de klaverbladen eraan. Badhoevedorp, Stein, Valburg, Ewijk: ze hebben inmiddels nog maar drie blaadjes aan hun klavertje. Andere klaverbladen zijn gewoonweg verdwenen zoals Oudenrijn bij Utrecht of Bocholtz, het knooppunt tussen Heerlen en Aken. We kunnen ons nog even vastklampen aan Hoevelaken en Beekbergen, maar ook die zullen ten prooi vallen aan het argumenten als ‘verbetering van de doorstroming’ en verkeersveiligheid. Het klaverblad sterft langzaam uit. Rijkswaterstaat lijkt zich naar de natuur te voegen. Het klavertje-drie is de norm geworden, het klavertje-vier de uitzondering.

Toen ik klein was zocht ik, zoals elk kind in grasvelden naar dat ene zeldzame klavertje vier tussen die dichte velden van driebladerige plantjes. De dag dat het raak was, was meteen goed. Het geluk was met mij. Op de snelwegen zal het straks niet anders zijn. Het passeren van een volmaakt klaverblad, ergens in het buitenland, zal een unieke ervaring worden, met een kleine endorfinestoot van geluk. En het zou zomaar kunnen dat ik dan even allevier de lussen neem, in plaats van gewoon rechtdoor te rijden.

Beeld: Louisiana, USA (Google Earth)

Rotbocht

Er zit een man in een strandstoel. Het is een vijftiger en hij heeft blauwe linnen gympen aan. De strandstoel is van het ouderwetse rieten type met een halfrond dak waar je helemaal in kunt verdwijnen. Zo eentje waarbij je meteen aan de jaren ’50 denkt, toen gezinnen niet aan het strand gingen bakken, maar ‘naar zee’ gingen. De strandstoel staat alleen niet op het strand, maar voor La Ropa, een damesmodezaak in hartje Zwolle. De stoel en de man kijken uit over de Oude Vismarkt, waar de avondzon de klinkers kleurt.

De man belt. Of nee, hij voert een gesprek. Een keurig gesprek. Er wordt netjes geïntoneerd, vriendelijk glimlachend afgewacht en het gaat over reizen en kunst. Gallery’s in London, Ateliers in Berlijn, want dat is zo’n leuke stad. Een keurig gesprek in die strandstoel. Zo hoor je ze zelden meer.

Voor zijn neus ligt de straat in een bocht, die loopt van het Gasthuisplein naar de Nieuwe Markt. Het is geen mooie bocht, die bocht. Je voelt aan alles dat het niet klopt. Onoverzichtelijk – want scherp – en fietsers rijden er af en aan. Het gaat alle kanten op, als muggen in de schemering. Hij is door beleidsmakers bedacht bedoeld om het autoverkeer te dwingen het centrum weer uit te gaan. De Oude Vismarkt wordt erdoor afgesloten. Niets herinnert meer aan de vroegere situatie toen de Oude Vismarkt en het Gasthuisplein in elkaars verlengde lagen en met een gracht aan elkaar verbonden waren. Alles wat rest is die gekke bocht. Ik wist niet dat een bocht wrevel op kan roepen, maar deze kan het.

De man laat al bellend zijn blik glijden over de Oude Vismarkt en het verkeer dat voor zijn neus de bocht neemt. Mensen met tassen vol aankopen, jongeren op scooters. Een enkele auto. Zijn hoofd beweegt zachtjes van rechts naar links. Zou hij het ook zo’n rotbocht vinden?

Dan komt zijn vrouw naar buiten. Het is een nette vrouw, even keurig als het gesprek van haar man. Ze heeft een glimmende blouse aan. In haar nek hangt een prijskaartje. ‘Ja of nee?’ vraagt ze. De man voert ongestoord zijn gesprek.
‘Ja of nee?’ Haar stem klinkt nu dwingender, lichte ergernis klinkt al door.
De man kijkt op maar is er met zijn gedachten niet bij. Hij kijkt dwars door zijn vrouw en haar bijna-nieuwe aankoop heen. Zelfs een afwezig ‘hmmm’ kan er niet vanaf.

De vrouw druipt af en wenkt dat de man naar binnen moet komen. De man doet wat hem gezegd wordt: hij rondt af. ‘Zal ik doen, jij ook, ook aan de kids.’ Een keurige afronding van een keurig gesprek. De man stapt naar binnen en ondergaat het lot dat elke getrouwde man wel kent.

Verderop speelt een accordeonist zachtjes terrasmuziek voor de gasten van Brasserie Jansen. De klanken echoën tussen de muren van het straatje naar de synagoge. Ik loop erheen en werp een vluchtige blik door het raam van La Ropa. De man staat besluiteloos tussen de confectie. Ik durf te wedden dat hij terugverlangt naar dat bochtje, ook al is het nog zo’n rotding.

strandstoel