Haring en poëzie

Hij is er weer, de nieuwe haring. Trots geveild in Scheveningen en vervoerd naar alle uithoeken van het land. Ik tref de nieuwe haring op de Markt in Den Bosch. De Markt is een perfecte driehoek middenin het centrum, dat ook een driehoek is. Op de hoeken van de markt beginnen de straten die naar de uiterste hoeken van het centrum leiden: de Vughterstraat, de Hoge Steenweg, de Hinthamerstraat. Aan het begin van elke straat staat een viskraam. Zo kan het zomaar dat er drie viskramen staan op de grote markt van Den Bosch. En alledrie verkopen ze de nieuwe haring. Jawel.

Aan de kant van de Hoge Steenweg staan de gebroeders Krol. Hier gaat het er gemoedelijk aan toe. Voor de kar staat een bord met de tekst ‘papa mag ik kibbeling?’ De twee jongemannen die de verkoop doen hebben het liefkozend over ‘kibbelingetjes’. Op de vitrine staat een enorme pot met uit de kluiten gewassen zure bommen. De mannen weten wat lekker is. Achterin hangt een oranje postertje met de tekst “en in de rust… haring scoren”. Ook de vissector is in wk-sferen. Prima kar, de jongens van Krol. Ik wilde dat ik uit de Hoge Steenweg was komen lopen. Dan had ik de andere karren niet eens gezien.

Dan de kant van de Vughterstraat. Die wordt bediend door de zeevishandel van Henk Huiskes. Henk is een gedrongen veertiger met kort haar. Hij staat wat sceptisch broodjes paling te smeren en lijkt meer te praten dan dat hij verkoopt. Misschien komt dat omdat de Vughterstraat zelf ook al een viswinkel heeft: Gepkes-Ernst. Toch draaien de zaken prima. Er is aardig wat aanloop. Henk houdt van rijmelarij. ‘Vis van Henk, da’s een geschenk’ en ‘met deze paling neem ik u niet in de maling’ staat er op de kar geschilderd. Hij kan er wat van, die Henk.

Tot slot de Hinthamerstraat. Aan die kant staat, behoedzaam geparkeerd naast de fontein, de kraam van de Gepkens-Ernst. Dat is de winkel uit de Vughterstraat. Die lijkt het qua klantenbereik dus het beste voor elkaar te hebben. Zou Henk deze plek begeren? Een vrouw heft haar rechterarm om te beginnen aan haar vers gekochte versnapering. De haring bungelt tegen de donkerblauwe namiddaglucht. De drie jongedames in verschoten blauwe poloshirtjes kijken van achter de toonbank opgewekt hoe de klant de Hollandse Nieuwe door de uitjes schuift, de lucht in stuurt en daarna langzaam in de keel laat verdwijnen. Aan de balie hangt een gedicht: de levensbeschouwing van een haring heet het.

De vrouw veegt met een servet haar stevige mond af, knikt de verkoopsters toe en beent de Hinthamerstraat in. Ik kijk haar na en ineens weet ik zeker dat ze het gedicht niet eens heeft gezien. En ze heeft gelijk: over nieuwe haring moet je niet praten, dichten of rijmen. Nieuwe haring moet je eten.

Lees ook: Boerke van Balkum

Lees ook: Geertruidenberg

Lees ook: Zichtbaar kattenkwaad

Zichtbaar Kattenkwaad

Soms komt het opeens op me af. Dat gevoel dat er een nieuwe generatie aankomt die weer slimmer is dan de vorige. Het zijn van die kleine dingen waaraan je het merkt. Dat zestienjarigen hele andere dingen doen als toen jij zestien was bijvoorbeeld. Of dat kinderspelletjes tegenwoordig heel anders gaan dan vroeger.

Het Chasséterrein in Breda, in feite een enorme plak asfalt, ligt er kalmpjes bij. Het theater aan de rand van het terrein verkeert in alle rust, het heeft een ander ritme dan ik. Vanavond bruist het er weer, nu is er niemand. Zelfs de vrachtwagens van de artiesten van vanavond zijn nog niet gearriveerd. En dat maakt het terrein alleen maar groter, maar ook minder anoniem. Je wordt immers gezien hier. Niet in de laatste plaats door de bewoners van de appartementencomplexen verderop.

Schots en scheef staan de flatgebouwen geparkeerd boven de golvende vlakte, die stiekem een heleboel geparkeerde auto’s herbergt. Één van de redenen waarom de planologische vakwereld zo verliefd is geweest op het Chasséterrein. Als het gaat om gebiedsontwikkeling is het Chasséterrein een Huzarenstukje. Inmiddels is het ook gewoon ‘thuis’ voor een heleboel bewoners van de appartementencomplexen die trots boven het asfalt en de jonge boompjes uittorenen.

Drie jongetjes van een jaar of tien draaien om me heen als ik de ingang van het appartementengebouw nader. Ginnegappend dralen ze bij de lange rijen brievenbussen, waarna ze plots vertrekken op hun fietsjes. Ach. Belletje trekken, het bestaat nog. Temidden van Twitter, Facebook, de Xbox en de Wii is het oer-Hollandse kattenkwaad gelukkig nog overeind gebleven (hoewel inmiddels geschreven met een tussen-n, en dat geeft het gebeuren toch iets formeels, alsof het niet van de straat is, wat niet helemaal past, maar goed). Met een zucht van opluchting gemengd met melancholie denk ik aan mijn eigen jeugd. Het kattenkwaad in de buurt, de besjes, de pijltjes, de flesjes, de geintjes. Wie niet?

Ik ben al bijna de hoek om, als ik me ineens afvraag of deze jochies het wel helemaal begrepen hebben. Wat is er leuk aan belletje trekken bij een appartementencomplex? De gedupeerden drukken in hun comfortabele woonkamers op een knopje, en zien door een cameraatje dat het loos alarm is. Geen voordeur die met een zwaai opengaat. Geen onduidelijk binnensmonds gemompel over buurtkinderen en kattenkwaad, helemaal niets krijgen ze mee, deze jongens. Ze hebben zelfs niet de kick van het wegrennen. Een steegje om in weg te duiken ontbreekt ook, en bovendien hebben ze fietsjes. Ze zijn zeker weten gezien, deze Bredase jongens. Ze zijn niet te missen op de grote asfaltvlakte van het Chasséterrein.

Maar ze vluchten niet. In al hun onschuldigheid steken ze het grote plein over. Of is het arrogantie? Het lijkt voor hun wel routine geworden. Ook het belletje trekken is onderhevig aan een efficiencyslag. Een verplicht nummer, dat nog even moet gebeuren voordat de Xbox wacht. Lekker makkelijk, met al die brievenbussen bij elkaar. Liever heel veel mensen een beetje half pesten, dan één keer gepakt worden. Dit is kattenkwaad anno 2013. Nee, het échte kattekwaad stamt uit de tijd van voor de tussen-n. Maar of deze jongens nu lui zijn, of juist heel slim, dat kan ik op dat moment daar in Breda even niet beslissen.

brievenbussen Chassé

Berlicum

Op het Mercuriusplein in Berlicum is het een drukte van belang. Het is zaterdagmorgen, Berlicum doet boodschappen. Het plein staat vol met auto’s, glanzend in de zon. Een bescheiden carillon in de hoek. Daarachter het geel van de Jumbo. Logisch. Veghel, waar het hoofdkantoor van de goedkoopste van Nederland staat, ligt om de hoek. Hier verwacht je in elk dorp met een kerk ook een gele supermarkt.

Toch is niets wat het lijkt. Dagelijks scheuren tientallen vrachtwagens de N279 af, vanuit Veghel langs Heeswijk, Middelrode en Berlicum op weg naar Den Bosch, naar de A2. Naar de Randstad. De Brabantse familiebedrijf wordt groter en groter. Tot aan de Waddeneilanden toe prijkt het geel langs straten en pleinen. En het lijkt niet te stoppen nu ook C1000 is overgenomen.

Maar pas sinds kort slaat er één vrachtwagen van de N279 rechtsaf om de Jumbo aan het Mercuriusplein te bevoorraden. Pas geleden was dit nog een Super de Boer, het merk dat inmiddels ter ziele is, zoals inmiddels alle supermarkten van Laurus. Ach ja, Laurus. Het rood van de Edah. Het groen van de Konmar. De supermarktoorlog. Dat waren nog eens tijden.

Terug naar Berlicum. Rondom de Jumbo zitten kleine winkels van het traditionele soort. Berlicum is zo’n dorp waar de lokale middenstand nog weet te overleven, tegen beter weten in. Voor de worst gaan de Balkumers, want zo heten de mensen hier, naar Keurslager Reinier Hol. Voor een nieuwe broek naar De Graaf, voor het fruit naar Versendaal. Den Bosch is verder weg dan ooit.

Voor slagerij Hol staat een beeld: het Boerke van Balkum. Een klein gedrongen mannetje met een pet. Een mènneke. Het boerke is een geschenk van bedrijfsleven en inwoners staat er op de plaquette. Een kado van Balkum voor Balkum. Men vond gewoon dat een beeld op deze plek niet zou misstaan. Een beeld dat de ‘lokale identiteit’ moest verbeelden, zoals beleidsmakers dat zo mooi kunnen zeggen. De Balkumers kozen voor een boerke. Een simpel mènneke dat doet denken aan vroeger, toen Brabanders en boeren nog synoniemen waren.

Hij leunt een tikje achterover, in een houding alsof hij elk moment met zijn duimen zijn bretels kan laten springen. Voor zijn bierbuik houdt hij een schop. Één hand nonchalant in de broekzak. Het boerke staart glazig voor zich uit, alsof de landerijen nog voor ‘m liggen. Ik wacht tot hij in plat Brabants een opmerking over het weer zal maken. Ik draai me om om te zien waar het boerke heenkijkt. Het is de ingang van de Jumbo.

20131007-095845.jpg

Geertruidenberg

In Geertruidenberg staat de Amercentrale. In 2003 werd de koeltoren van de Amercentrale het decor van een tragisch ongeluk waarbij vijf doden vielen. De centrale ademt inmiddels weer kalmte. Vanaf de A27 is het complex niet te missen. Vredig steekt de reusachtige koeltoren af tegen de Hollandse luchten. De Keizersveerbrug en de Bergsche Maas maken het snelwegpanorama compleet. Wolken van de vooruitgang. De industriële tegenhanger van de Biesbosch.
Zouden ze in Geertruidenberg trots zijn op de centrale? In elk geval kunnen de Geertruidenbergers er niet omheen. Vanaf de markt in Geertruidenberg is de koeltoren onontkoombaar. Het lijkt alsof het bewust is gedaan. Een energiecentrale vlak naast het oude stadje. Met een zichtlijn vanaf de markt. Zoals de Dom vanaf diverse kanten de entree van Utrecht markeert, worden de Geertruidenbergers van alle kanten herinnerd aan hun centrale.
Daar is vast over nagedacht.

De Amercentrale ligt op een steenworp afstand van industrieterrein Moerdijk, dat pas twintig jaar later verrees. Achteraf gezien een ideale plek voor een energiecentrale. Ook in de planologie van de stroomvoorziening heeft de tijd zijn blunders veroorzaakt.

Ik rijd over de A27 en kijk nog één keer achterom. De Amercentrale blaast tevreden zijn rook de Hollandse luchten in. Geertruidenberg heeft zich er ongetwijfeld mee verenigd.