Dat het weer licht wordt

De ochtend is terug van weggeweest. Het ochtendgloren is weer vroeger dan anders en ligt weer binnen handbereik. Even is het weer half september. De delen van mijn forensenreis die donker waren, staan weer in het licht. Ik kan het trottoir weer van de straat onderscheiden en de zon komt op een hele andere plaats op. De sporen bij station Zwolle zijn weer goudgerand. Achter het stuur kan de zonnebril weer op, vooral voor die ene bocht, waarin de snelweg net even naar het zuidoosten draait. De ochtendspits bij daglicht. Ik was ‘m al even vergeten.

Het is die ene maandagochtend aan het einde van oktober. Dat moment dat een paar weken later alweer teniet wordt gedaan door het korten van de dagen. Dat moment waarop de natuur het voor even gewonnen heeft van de klok. Dat moment in het najaar waarin iedereen toch even ontregeld is, hoe minimaal de aanpassingen ook zijn. Dat moment dat het weer licht wordt.

foto: Luken Hulsker 2016

Carnaval der dieren

Het carnaval der dieren is nooit ver weg. Ook niet in Vaassen. Mijmerend rijd ik over de Kanaalweg. Een gangetje van 60 kilometer per uur is een prima snelheid om de dingen die vandaag komen gaan te overdenken. Op de radio klassieke muziek. Rechts van mij zicht op het Apeldoorns Kanaal. Beter kan de werkdag niet beginnen.

En net als ik in spanning wacht tot de volgende plaat wordt afgekondigd – het is altijd een sport om te raden wat je hoort op radio 4 – wordt mijn bubbel verstoord door een stoet ganzen. Van rechts naar links willen ze oversteken. Ze schrikken van het gebrul van mijn auto, dat schril contrasteert met hetgeen er daarbinnen aan de hand is, en druipen af. Terug richting kanaal.

Ik heb de afkondiging gemist, maar op de radio wordt nu een klassieker ingezet: het Carnaval der dieren van de Franse componist Saint Saëns. Dat kan geen toeval zijn. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik de ganzen meteen kordaat oversteken. Mijn gebrul was slechts een korte onderbreking van hun expeditie. En terwijl ik de Papegaaiweg passeer besef ik, misschien wel net zoals Saint Saëns dat deed, dat wij mensen hier op deze planeet toch echt te gast zijn.

Vertrek

Blauwe bussen zwenken door een haag van platanen. Het busstation getooid door de zomer, elke halte zijn eigen plataan. De Zwolse Oosterlaan doet zijn naam eer aan. Hordes scholieren en forensen worden opgeslokt en naar verder gebracht. De eerste ochtendspits van het jaar. Ieder in zijn rol. De raderen draaien weer. Twee meisjes steken al kwebbelend hun hand op. Nonchalant, als is er geen gevaar. Lijn 29 naar Coevorden maakt zijn eerste stop, na een meter of 10. De valreep. Wapperende krullen. Terwijl ze naar hun plaats stommelen maakt de chauffeur zijn draai naar de grote weg. Net op tijd grijpt ze een lus. Het jaar is nog lang.

Het spitsweerzien

Utrecht Centraal is een pijpenlaatje geworden. Niet de terminal zelf. Daar baden de reizigers in ruimte en licht. Niet voor niets is de term ‘station’ vervangen door ‘OV-terminal’. Een gemiddeld hangar op Schiphol valt erbij in het niets. Uit alles moet blijken dat de reiziger nietig is. Een klein bijtje in een grote korf.

Het pijpenlaatje is het laatste stukje van de terminal dat nog moet worden verbouwd, het gedeelte tussen spoor 5 en spoor 18, waar vroeger het blauwe bord hing. Daar persen de forensen zich over houten planken door een slurf die alle uitzicht op de werkzaamheden en de rest van de samenleving ontneemt.

Te midden van dat alles is de ontmoeting tussen twee vrouwen. Ze hebben elkaar lang niet gezien. Of gisteren nog, dat weet je nooit bij vrouwen. Midden in dat pijpenlaatje, in de massa die ochtendspits heet, krijgen ze elkaar in het oog. Ze lopen elkaar tegemoet – zo goed en kwaad als dat gaat – en omhelzen elkaar. Er klinken enthousiaste gilletjes en wensen. ‘Meid, wat toevállig! Alles goed met je ?’ Dat werk. De bijtjes in de bijenkorf zijn voor een paar seconden toeschouwer geworden in een authentiek toneelstuk: het spitsweerzien. Maar stil staan ze niet. De ochtendspits gaat door.

foto: Hegeman