Vertrek

Blauwe bussen zwenken door een haag van platanen. Het busstation getooid door de zomer, elke halte zijn eigen plataan. De Zwolse Oosterlaan doet zijn naam eer aan. Hordes scholieren en forensen worden opgeslokt en naar verder gebracht. De eerste ochtendspits van het jaar. Ieder in zijn rol. De raderen draaien weer. Twee meisjes steken al kwebbelend hun hand op. Nonchalant, als is er geen gevaar. Lijn 29 naar Coevorden maakt zijn eerste stop, na een meter of 10. De valreep. Wapperende krullen. Terwijl ze naar hun plaats stommelen maakt de chauffeur zijn draai naar de grote weg. Net op tijd grijpt ze een lus. Het jaar is nog lang.

Fransoos

En opeens, op een mooie voorjaarsavond in het buitengebied van Zwolle zie je hem staan. Een BX. Een zilvergrijze Citroën BX. Een beetje verscholen onder een flinke eik staat hij te glimmen in het avondlicht. En aan de bloesem op de motorkap te zien staat hij er al een tijdje.

Auto’s raken mij niet, heb ik mijzelf altijd voorgehouden. De autoRAI is voor mij onontgonnen terrein. Bougies, ABS, kleppen of cilinders…het roept niets op bij mij. Een auto is voor mij wat een computer is voor de gemiddelde 70-plusser. Hij moet het doen, en verder wil ik er geen verstand van hebben.

Maar dit, dit is anders. Onder deze eik staat een stukje Frankrijk. Helemaal in Zwolle beland. Een oud zwart nummerbord siert vertederend de voorbumper. Beelden van Parijse steegjes, en klinkende wijnglazen op lange Franse zomeravonden schieten door mijn hoofd en ik moet denken aan mijn grootvader. Begin jaren ’90 kocht hij een witte BX. ‘Een echte Fransoos!’ riep hij toen hij trots over zijn aankoop vertelde. In de nonchalance waarmee hij het uitsprak, kon ik horen dat hij dat vaker had gezegd. Zijn binnenvaartverleden speelde weer even op in dat soort zinnetjes. Een echte Fransoos. Alsof hij over een of andere ingehuurde bootsman had.

Op een najaarsavond liep hij trots naar buiten en liet me de achtersteven van de BX zien. En vooral hoe die kon opstijgen. Ik was niet onder de indruk, want ik was met dat fenomeen al bekend. Mijn meester van groep 6 reed nog rond in een GSA waarmee hij elke ochtend het schoolplein op kwam brullen. En die had ook zo’n stijgende kont. Nooit helemaal begrepen waar het voor nodig was maar mooi was het wel.

Niet veel later was er het auto-ongeluk. Met opa en oma was niets aan de hand, maar de BX was total-loss. Men vond het niet erg. Want zo’n BX, dat was in no time een hopeloos ouderwetse wagen geworden. Ruim twintig jaar later roept de Fransoos alweer nostalgische gevoelens op. Al zit ‘m dat vooral in de zwarte nummerplaat, dat dan weer wel.

Achterkant van het consumentisme

Ons land gaat gebukt onder uniformiteit. En het gekke is: we vinden het niet eens erg. Het is juist fijn. Gezinnen vinden het fijn om een IKEA in de buurt te hebben, jongeren vinden het fijn om zowel in de Koopgoot als in de Kalverstraat hun favoriete kledingmerk aan te schaffen. Op de parkeerplaatsen langs de snelwegen vinden we overal dezelfde prullenbak en op alle Nederlandse stations kun je zitten op dezelfde bankjes. Zelfs de achterkant van ons uniforme consumentisme is op veel plekken hetzelfde. Afgelopen decennia zijn er overal in Nederland afvalbrengstations verrezen. Her en der vermomd onder minder duidelijke termen als milieustraat, verzamelpunt of milieupark, maar in de kern overal hetzelfde. Het zijn afgelegen plaatsen waar de consument met zijn aanhanger naartoe kan rijden om zich op een verantwoorde manier te ontdoen van zijn afgedankte waar. Schoon, overzichtelijk en netjes.

Afvalproducenten worden hier als consument benaderd, en die moet het zo gemakkelijk mogelijk worden gemaakt. Afval moet schoon en makkelijk zijn. Vroeger parkeerde je de auto met de kont naar de belt om je vuilniszakken te lozen, tegenwoordig is er routeinformatie op het terrein. Het moet klip en klaar zijn waar de argeloze burger zijn overbodigheden ter plaatse precies aflevert. Zo intuitief als de nieuwste smartphone. Het duurt niet lang of in de hoek van het terrein vestigt zich een kleine koffiebar waar je goede capuccino kunt krijgen. Ook recyclen wordt een beleving.

En het is niet één stad waar het toevallig zo gaat. Of je nu naar Dordrecht of Doetinchem gaat, Groningen of Roermond, overal is het waterloo van het consumentisme op grofweg dezelfde manier ingericht. Overal dat opritje naar een betonnen plateau. Overal die diagonaal geplaatste bakken. Overal dat tafeltje voor klein chemisch afval. Overal die aparte container voor matrassen. Gestandaardiseerde vergankelijkheid noemen we dat. Het lijkt het toppunt van beschaving te zijn, ware het niet dat er een volgende stap is: minder weggooien. In die zin staan de vaak sjofele kringloopwinkels nog een treetje hoger. Bovendien kun je daar steeds vaker prima capuccino krijgen.

Op de brug over de IJssel

Ik ben een passant op de IJsselbrug, de nieuwe rode Hanzeboog, die sierlijk en fel het zomerse palet van groen en blauw doorsnijdt. Ik zie het kleine veer vanuit Hattem behoedzaam draaien om stroomopwaarts aan te kunnen leggen. Ik zie het geweld van graafmachines, die stukje bij beetje de nieuwe contouren van de Buitenwaarden prijsgeven: nevengeulen, modderpoelen, kades en graslanden. Ik hoor het zoeven van de auto’s en treinen over oude en nieuwe bruggen van staal en beton. Het water, die grens van weleer, heeft voor hen geen betekenis meer. Ik zie de koeien uit de landschappen van Voerman, kalm kauwend met hun blik op de oneindige uiterwaard, zonder enig benul van de wereld achter de dijken. Ik zie de zondagse recreanten fietsend in optocht over de dijk naar dorpen als Schelle en Oldeneel. Ik zie de masten van de bootjes gedwee zij aan zij in de haven van Hattem met op de achtergrond de karakteristieke kerktoren. En te midden van dat alles, machtig en groot, zie ik de rivier langzaam de bocht nemen om de Hoenwaard, kalm kabbelend de oude zandwinput passerend, om verder te reizen naar Katerveer, Kampen en Keteldiep.

Die brede rivier die traag door oneindig laagland gaat. Die onzichtbare rivier met zijn brede uiterwaarden,nevengeulen, ooibossen en graslanden. Die meanderende rivier die Hollandse Hanzesteden verbindt en een grens vormt voor iedereen voor wie ramen en deuren los zijn in plaats van open. Die dreigende rivier die ‘s winters klotsend aan de kades van Deventer en Kampen staat. Die verwoestende rivier die elk jaar de modder, strootjes, het gras, het afval en wat niet al in de afrasteringen op de uiterwaard achterlaat, de sporen van de allesverzwelgende kracht van het water. Die troostende rivier die er altijd is om uit te waaien, geruststellend constant. Die rivier die altijd komt en altijd gaat.

Dat is mijn rivier.

Schaduwzijde van automatisering

Hij is onderweg naar de SOS-paal op het perron: een futuristisch ogende grijze zuil met rode en blauwe knoppen. Hij drukt op een knop en wacht. Het duurt lang. Eenzaam staat hij in de zon terwijl elke paar seconden het geluid klinkt dat om geduld vraagt.
Kaki broek, groene trui, sandalen en een hoedje. De man is zeker achter in de zeventig. Het is zaterdagavond, de zomerzon schittert in het mozaïek van letters die vertellen waar we zijn: station Ommen. Onder het mozaïek domineren de grote rode parasols van het koffiemerk ‘Segafredo’. Aan een tafeltje zit de serveerster voor zich uit te staren. Soms glimlacht ze even.

Geduld, dat heeft de man wel. Rustig kijkt hij om zich heen. Ongetwijfeld denkt hij aan de tijd dat er hier in Ommen nog een loket was, waar je papieren kaartjes kon kopen. En waar je, wanneer je niet precies wist hoe laat jouw trein naar Zwolle vertrok, dat nog gewoon kon vragen aan een vriendelijke meneer met een pet achter dat loket. Maar het loket werd vervangen door een kaartautomaat. En de meneer met pet maakte plaats voor een zuil met drukknoppen. Ach, zo gaan die dingen.

Er is contact.

De man begint in het luchtledige te praten. Hij heeft zijn fototoestel in de trein laten liggen. De damesstem uit de zuil (waarom is dat toch altijd een dame?) rept over een opsporingsformulier dat gedownload kan worden van het internet. “Gedownload?”, haalt de man zijn schouders op. Ook heeft ze het over gevonden voorwerpen in Zwolle en Emmen, de eindstations van dit traject. Spullen blijven daar vijf dagen bewaard, waarna ze naar het ‘Centraal Bureau Gevonden Goed’ in Utrecht vertrekken.

Teleurgesteld schuifelt de man weer over het spoor. Hij passeert de cafetaria die de plaats van het loket in het stationsgebouw heeft ingenomen. De serveerster – nog altijd werkeloos aan haar tafeltje – bekijkt hoe hij haar zaakje nadert. Elk tafeltje heeft ze keurig voorzien van servet, bloemetje en zoutvaatje. Wanneer de man langsloopt, staat ze op en zet ze nog wat bloemstukjes recht. “En, komt uw trein er zo aan, meneer?” De man knikt en groet de dame met zijn hoed. Er schuift een wolk voor de zon aan de roodgekleurde hemel.

Zwolle en Emmen lijken verder weg dan ooit.

Deze column is geredigeerd door Martin Janssen en geplaatst op zijn site Verhalen op het spoor.

Bovenstaande foto van het mozaiek is van E.Wolters zie www.stationsweb.nl.

Ter Pelkwijkpark

Het Ter Pelkwijkpark is geen park maar een straat vlakbij het Kerkbrugje, aan de rand van het centrum van Zwolle. Er staan chique onderkomens waar voornamelijk bedrijven in gevestigd zijn. Even verderop is er een grasveld zonder naam. Hoe klein ook, het grasveldje heeft alles wat het Vondelpark ook heeft. Er staan een paar grote bomen, er is een bloemenperkje, een wandelpad en er is water op over uit te kijken. Mooi. Meer heeft een mens niet nodig. Mocht dat toch te weinig zijn, dan zijn er nog altijd de passerende fietsers die het Kerkbrugje oversteken.

Is dit soms het echte Ter Pelkwijkpark?

Aan de rand van het veldje staat het oorlogsmonument: een halfhurkende man die herinnert aan de Zwolse gevallenen. Hier wordt de jaarlijkse dodenherdenking gevierd. Elk jaar wordt die aangekondigd als “op het grasveld bij het Ter Pelkwijkpark”. Het veldje mag kennelijk de naam park niet dragen.

Als de eerste warme voorjaarsdag zich aankondigt strijken jongeren er neer, de chips en cola of iets sterkers bij de hand. De fietsers op het Kerkbrugje geven hun ogen goed de kost. Op de hoek bij de Wilhelminasingel staat de Viskraam van Timmerman. Ernaast staat een man in de klassieke haring-pose. Een paar kinderen van een jaar of tien spelen in het bloemperk bij het monument. Een jonge vader rent achter zijn zoontje aan, de bijbehorende moeder kijkt onder een eikenboom toe met de kleinste op schoot. Ach, iedereen heeft zo zijn eigen geluk.

Verderop zit een verliefd stelletje, hevig verdiept in elkaar. De fietsen nonchalant naast zich neergegooid. Ik zie het voor me: fietsend op de Wilhelminasingel worden gretige blikken uitgewisseld, tegelijk zoekend naar een goede gelegenheid om elkaar eens stevig beet te pakken en van de liefde te genieten. Gelukkig is daar het grasveld, en hop! Daar sturen twee fietsen eensgezind het gras in. Wat had ik hun entree graag gezien. Maar een mens is nooit op het juiste moment ter plaatse. Of met de woorden van Martin Bril: je mist meer dan je meemaakt.

foto: Jan Stockhorst
foto: Jan Stockhorst

Thuisreis

‘Goed stilzitten jongen, als je beweegt ga je vallen!’ In de Wismarstraat in Zwolle staat de vader met zijn zoons, drie jongens met onschuldig blond haar. Zijn fiets, een zilvergrijs yuppenmodelletje, staat midden op straat geparkeerd. De oudste van de drie jongens heeft wiebelig plaatsgenomen op het stuurzitje, normaliter het domein van de jongste. De middelste en de jongste hebben ieder een eigen fiets, een stoere kindermountainbike. Het kinderzitje bij vader achterop is leeg. Een kinderrugzak bungelt er troosteloos aan.

De zon schijnt zoals die alleen op een warme namiddag schijnen kan. De vader veegt het zweet van zijn voorhoofd. Grote plekken sieren zijn witte overhemd bij de oksels. Daaronder het zwarte krijtstreepje en de strak gepoetste schoenen. Hij zucht en schudt zijn krullen nog eens flink op voordat hij de jongste op de fiets hijst. Aan alles zie je dat hij er geen zin in heeft, dit gedoe. Hiij wil naar huis, aan de karbonade en daarna een zomeravond met een glaasje wijn in de tuin. Hij verlangt er nu al naar.

De oudste zit er beteuterd bij. Hij wil wel protesteren, maar kan niet. Hij kan elk moment met fiets en al tegen de grond gaan. Met geknepen oogjes kijkt hij strak vooruit. Het kan van de ingehouden woede zijn of van de namiddagzon, dat is niet helemaal duidelijk. De middelste kijkt verveeld rond. Hij zit hier ook niet op te wachten, en kan natuurlijk al lang alleen naar huis fietsen. Maar hij wacht geduldig af.

Glimlachend sla ik het tafereel gade, halt houdend in de buurt van de fiets om deze op te vangen als het misgaat. Vader geeft nu instructies. De jongste krijgt een duw in de rug mee en gaat dan onzeker op weg. Terwijl vader hem nakijkt kruisen onze blikken elkaar, maar er is geen contact. De blik van verstandhouding blijft uit.
Zonde.
De man is niet meer in staat tot relativerende blikken. Waarschijnlijk is hij al lang in gedachten bij zijn vrouw, die ongetwijfeld een mening heeft over hoe hij dit nu aanpakt. Zou het flesje wit trouwens al in de koelkast staan?

Vader klimt op zijn fiets. Het gezelschap verdwijnt in de bocht van de Wismarstraat. Het enige dat achterblijft is een blauwerode teenslipper, als een stille getuige van het zojuist gebeurde. Ik kan een nieuwe glimlach niet onderdrukken. Het wordt inderdaad een prachtige zomeravond.

Theater op het busstation

Voor het busstation van Zwolle is er even theater. Blauwe bussen vormen het decor. Twee mannen spelen de hoofdrol. Mannen die elkaar niet kennen, zelfs nog nooit gezien hebben. En toch spelen ze prachtig samen.

De ene man zit in een taxi. De andere rijdt op een racefiets. De taxichauffeur doet wat hij altijd doet. Hij neemt de rotonde voor het station. Hij schuift voor de rij blauwe bussen langs en zwiept zo de taxistandplaats op, die eigenlijk ook een soort bushalte is. Althans, hij is net zo diagonaal aangelegd, en heeft net zo’n iel perronetje van klinkers als de bussen is toebedeeld. Met een flinke trap op de rem komt de man tot stilstand, precies achter zijn collega, die zijn volgende klant juist helpt instappen.

Althans, zo had het moeten gaan. De tweede hoofdrolspeler gooit roet in het eten. Met zijn racefietsje wurmt hij zich langs de bussen voor de taxi langs. Dat kan niet goed gaan. Er is geen geluid. Remmen piepen niet. De man valt van zijn fiets.

Van je fiets vallen is ook een kunst. En wielrenners verstaan die kunst. Zelfs in de eindsprint van een touretappe kunnen renners nog prachtig vallen. En in de herhaling in slow motion is het nog mooier. Het zwaaiende voorwiel. De grimas. De wenteling. Het is bijna genieten, zo’n val. Maar dat is dan weer leedvermaak. Bij deze man is geen slow motion nodig. De man valt prachtig. Dit is geen val maar een buiteling. Tot twee keer toe rolt hij over de kop, precies over het diagonale perronetje van de taxistandplaats. Alsof het ervoor gemaakt is. Dan komt hij in één beweging overeind. Afsluitend veert hij nog even door zijn benen. Op het elegante af.

Kunst. Valkunst. Theater.

Hij kijkt de chauffeur indringend aan en slaat met de vlakke hand tegen het voorhoofd. Stom! Stom! Stom! De schrik en de woede spat eraf. Het is onduidelijk of hij zichzelf of de taxichauffeur de nalatigheid verwijt. De renner mankeert niets, en taxichauffeur heeft het alleen maar heel erg warm. De taxi heeft nog geen krasje. Een paar zweetdruppels op de voorbumper, daar blijft het wel bij. Het voorwiel van de racefiets is flink krom. De taxichauffeur komt uit zijn auto en er worden excuses gemaakt, gegevens uitgewisseld. Men praat nog wat na. Einde eerste acte. Het podium is weer busstation geworden.

De man heeft geluk. Hij kan meteen een taxi naar huis nemen, hij staat immers al op het perronnetje. Maar dat lijkt hem geen goed idee. Met zijn kromme fiets loopt hij naar het station. Voor hem voorlopig geen taxi’s meer.

 

foto: Google maps
foto: Google maps

 

 

Toevalstreffer

Meestal zo rond carnaval gaat het broeien. Wanneer valt pasen dit jaar? Eerst leeft de vraag nog onbewust: als Pinksterweekendjes ver in juni worden geprikt vallen termen als ‘pasen valt laat dit jaar’. Maar ja? wat is laat? Ik kom niet verder dan ‘ergens in maart of april’. Een paar weken later wordt de nood hoger: in vergaderingen mogen zaken ‘niet over de paasdagen heen’ gaan. Want al die vrije dagen, je komt echt nergens meer aan toe zo rond die meivakantie. Als het eenmaal pasen is…

Aha. Pasen valt rond de meivakantie. Dat geeft enige houvast. Al blinkt de meivakantie ook niet bepaald uit in eenduidigheid. En wanneer valt Koningsdag eigenlijk? De contouren van de vrije paasmaandag beginnen zich af te tekenen. Plannen worden gemaakt, de moed erin gehouden. We gaan er immers een prachtige paas van maken.

Maar de ene paas is de andere niet. Neem nou het weer. Bij pasen past grijs en betrokken weer. Kleine spatjes regen op de ramen van wegrestaurant Routiers aan de A28 bij Nunspeet. Uitwaaien langs het Màximakanaal bij Empel, onder grijze luchten met wolkenpartijen als op een schilderij van Jan Voerman. Pasen is tegen beter weten in toch de zomerjas aan. Teleurgestelde kinderen omdat de glijbaan nog nat is. Pasen is rennen naar de auto op de parkeerplaats van de meubelboulevard. Pasen staat synoniem voor plannen die in het water vallen.

Maar het kan ook anders. Een nevelig zonnetje als decor van een frisse wandeling met familie in de duinen. De tuinstoelen die nog wat onwennig hun eerste zonnestralen vangen. Vochtige kerkpleinen vol kerkgangers op hun paasbest, napratend in de prille zon, Paaspop, waar de zon en Brabantse blubber hand in hand gaan. Fietsen langs bloesem tussen Buren en Buurmalsen. Het onverwachte eerste terrasje langs de Groningse Grote Markt. Gras dat echt weer groen is. Een snelweg vol Duitsers onderweg naar de kust.

Pasen is een wisselend weerbeeld, om maar met Gerrit Hiemstra te spreken. Pasen is typisch halfbewolkt. Kan vriezen en kan dooien. In dat opzicht was pasen dit jaar weer echt pasen. Het enige wat vaststaat is dat het alle kanten op kan. Plannen worden bijgesteld. Mooi weer blijkt een toevalstreffer te zijn. Je kunt er eigenlijk nooit van op aan. Net niks eigenlijk, dat hele pasen. En toch gaat het ieder jaar weer broeien, zo’n paar weken voor carnaval…

De Zwolse Peperpus voor een een bewolkte hemel. (bron: www.mijnz.nl)
De Zwolse Peperpus voor een een bewolkte hemel. (bron: www.mijnz.nl)

Blik van verstandhouding

Het is avondspits en station Zwolle staat bol van de forensen. De forens herken je snel. Die loopt op routine. Recht op doel af. Blik op oneindig. Naar huis. Naar het gezin, naar de karbonade en de aardappeltjes, naar het weekend. Naast me loopt een meisje in een leren jack met me op. Precies dezelfde snelheid, zelfde blik op oneindig en waarschijnlijk precies dezelfde gedachten: op naar het weekend. Een echte forens.

Het meisje voor ons valt niet in die categorie. Ze heeft blauw haar. Blonde opgestoken krullen, met blauwe pieken. Het zegt natuurlijk niets, maar het lijkt erop dat ze geen forens is. Ik geef het niet graag toe, maar uiterlijk zorgt in dit geval voor aannames, zeker op een gedachteloze vrijdagmiddag. Toch wandelt ze in een forensentempo voor ons uit door de passage van het station. Met elke stap die ze zet wordt het duidelijker: de blauwharige jongedame voor me is niet bekend in Zwolle. Ze kijkt rond terwijl ze afstevent op de trap aan de Zuidzijde, de achterkant van het station.

Haar overkomt wat zovelen overkomt: ze loopt de verkeerde kant op. Ze moet helemaal niet aan de Zuidzijde zijn, maar aan de andere kant. Pas vlak voor het gapende gat aan het einde van de loopbrug, een meter of twee voordat de trappen naar de Zuidzijde beginnen, komt ze er achter. Ze moet zo snel mogelijk terug. In één bruuske beweging stopt ze, keert ze om en vervolgt ze haar weg, precies tussen mij en mijn buurvrouw met het leren jack door. Alsof er niets gebeurd is.

Ik doe wat iedereen zou doen. Ik houd onwillekeurig mijn pas in en laat haar passeren, mijn hoofd langzaam draaiend om haar opvallende verschijning na te kijken. Om te kijken naar heur haar. Haar blauwe haar. Ik kan een glimlach niet onderdrukken. Zodra ze is gepasseerd zie ik dat mijn buurvrouw met het leren jack precies hetzelfde deed en net als ik een brede glimlach op haar gezicht heeft getoverd. Een fractie van een seconde, nee korter nog, kijken we elkaar recht in de ogen, beiden glimlachend. Verderop verdwijnt het blauwe haar in de massa.

Een frisse onderbreking van de avondspitsroutine. Een volkomen willekeurige vrouw kijkt je onverwacht glimlachend recht in in de ogen. Een blik van verstandhouding, een minimaal moment van contact met een medeforens. En je lacht nog terug ook. Dat gebeurt je niet iedere dag in het forensenbestaan. Ik daal de trap af en verander van forens in een voorbijganger. Op het Lübeckplein begint de herfstschemering al in te zetten. Mijn weekend kan beginnen.

20131123-223130.jpg