Voor even medepassagier

Er stapt een man de coupé binnen. Onopvallend, maar niet ongezien. Schuchter neemt hij plaats in het eerste zitje naast de schuifdeuren. Hij slaat zijn benen over elkaar en neemt de omgeving in zich op. In één beweging draait hij naar het raam en begint naar buiten te staren. Het voorbijglijdende landschap weerspiegelt in zijn vierkante brillenglazen. De buitenwijken van Utrecht. Het kerkje van Harmelen, de plaats van het fatale treinongeluk zo’n halve eeuw geleden. De langgerekte polders van Oudewater en Reeuwijk.

De zon valt op het witte tafeltje tussen ons in. De trein zoemt zachtjes. Zijn kalme blik verraadt voldoening. Denkt hij aan zijn vrouw? kinderen? De werkdag die zich weer aandient? Minnares? Carrierestap? Versnapering op het volgende station? Het ouderwetse zilverkleurige montuur wordt getooid door borstelige wenkbrauwen. Zijn dunne blauwige lippen en verweerde huid vertellen dat zijn pensioen niet ver meer kan zijn. De stad schiet voorbij. De perrons van Goverwelle. Het moderne stadhuis van Gouda met zijn lange diagonalen die zijn ontleend aan de Goudse stroopwafels.

Zijn pak valt in keurige snit om zijn brede schouders, al kun je zien dat ze vroeger breder geweest zijn. Zijn broek valt keurig over zijn glimmend zwart gepoetste schoenen. Gesteven boord. Een pet ontbreekt nog net. Terwijl de trein zich weer in beweging zet, staat hij op. De trein glijdt over een wissel en wiegt zachtjes heen en weer, maar onze man staat stevig in zijn schoenen. Met een zwaai staat hij midden in het gangpad en pakt zijn scanner: “uw vervoersbewijzen alstublieft”.

Markthal: gat in de markt?

De lege vlakte van de Binnenrotte staart me aan. De markt van Rotterdam is nog verlaten. Het is vrijdagochtend, een uur of negen. De stad verkeert tussen wal en schip. Het verkeer kalmeert, want de ochtendspits is voorbij. Koffertjes en mantelpakjes zitten weer veilig achter glas. Maar het is nog ver voor tienen, dus het alledaagse binnenstadleven moet nog op gang komen. Winkels zijn nog dicht. Op dinsdag en zaterdag vult de markt dit gat. Daar begint de verkoopdag al om een uur of zeven, acht en is om tien uur al menig koffiekan bijgevuld. De markt smeedt de stadsritmes aan elkaar. Als het nachtleven nog volop aan de gang is klinkt al het hout en het ijzer van de opbouw van de kramen. Als het winkelend publiek nog lang niet uitgewinkeld is klinken dezelfde geluiden en houdt de markt het voor gezien. De avondspits pakt het daarna over, om geruisloos over te gaan in het nachtleven. En zo gaat het al jaren. 24-uurseconomie avant la lettre.

Even verderop, net naast de pannendeksel van station Blaak, staat de nieuwe markthal te glimmen in de ochtendzon. In 2014 opende dit prachtig vormgegeven gebouw. Een overdekte markt wordt er overkoepeld door een kleurrijke schildering en appartementen. Ik ken het fenomeen markthal uit Oost-Europa (waarom kennen we dat hier niet?). Meestal is het een oude veehal ergens achteraf waar de vrouwen al vroeg, zo net na de ochtendspits zullen we maar zeggen, in hun dagelijkse inkopen doen voor de maaltijd van die avond. De betreffende gemeente is de marktkooplui tegemoet te komen door hen een permanent dak te geven, zodat de verkoop altijd door kan gaan, weer of geen weer, want de marges zijn niet groot op de markt. De kramen hebben er geen daken van zeildoek, maar verder is alles hetzelfde als op een buitenmarkt. Chaos, schreeuwende mannen, een sensatie van allerlei onbekende geuren. Zakken vol verse kruiden wisselen af met verse kippennageltjes en varkensneuzen waartussen louche types voor weinig geld je telefoon simlockvrij maken.

Hoe anders is dat in Rotterdam. De markthal heeft een glazen wand en een entree met draaideuren waarin een gemiddeld mantelpakje zich prima thuis voelt. Daarachter zijn geen kramen, maar kleine winkeltjes die doen in kleding, tassen en andere luxe goed. De romantiek van houten planken, ijzeren frames en spanbanden ontbreekt. Het zeil zal er niet doorzakken van de regen. De geur van kippennagels en varkensneuzen moet wijken voor verse espresso. Alles is aangeharkt en opgesmukt. Dit is geen markthal, maar een gigantische boetiek. Een shopping mall. Eentje die bovendien pas om tien uur open gaat, zodat het gat tussen ochtendspits en winkeldag een stil moment blijft. Behalve dan op dinsdag en zaterdag, als de kooplui van de echte markt al vroeg de Binnenrotte bevolken.

Van horen zeggen

Voor een goede wijn fiets ik om. Voor een goede friet niet. Zo simpel liggen die dingen. Maar hoe weet je wat goed is? ‘Van horen zeggen’ is voor allerlei zaken een garantie voor kwaliteit, maar eerlijk gezegd heb ik het op feesten en partijen nog nooit over de beste patat van de stad gehad. Frieten zijn nu eenmaal geen sexy onderwerp. Staat de plastic bak met patat eenmaal dampend voor je dan komen het ‘beste frietje van Nederland’ opeens wel ter sprake. Niet toevallig worden deze patatten meestal verkocht op de plek van de jeugd van de eters. Niets is misleidender dan de eigen herinnering.

Toch is er in hoofdstraat van Sassenheim een cafetaria gevestigd met de naam ‘Men zegt’. Het lijkt erop alsof mensen hier dus omfietsen voor hun frieten. Dat de verhalen rondgaan tot in de wijde omtrek. Maar wat zegt men eigenlijk over een snackbar? Dat de friet inderdaad goed is? Knapperig van buiten en zacht van binnen? Lekker dik, of juist lekker smal? Dat de kroketten weer smullen waren? Dat op zaterdagavond rond zessen de rij niet al te lang is? Dat je er terecht kunt voor een praatje?

Men Zegt is op het eerste gezicht een gewone snackbar (het woord ‘cafetaria’ heb ik nooit geasocieerd met frituur en vermijd ik hier derhalve, om over verhaspelingen als ‘snacktaria‘ en dergelijke nog maar te zwijgen). Er is een grote vitrine waarin de frikadellen vergezeld gaan van rechtopstaande groene nepsla. Langs de ramen staan versleten kersenhouten meubeltjes. Afgebladderde letters wijzen erop dat een consumptie verplicht is. Een groot scherm met allerhande burgers, bamischijven en bitterballen hangt tegen de muur. Achter de vitrine staat personeel dat zijn wortels heeft in het verre oosten. Zij hebben ongetwijfeld ook een aandeel in het Chinees restaurant van hiernaast.

MenZegt

Ik vraag de man naar de herkomst van de bijzondere naam van hun zaak. Zijn antwoord is even simpel als onverwacht. ‘De naam is al oud. heel oud. Zeker dertig jaar. Toen wij de zaak overnamen was de naam er al. En als men zegt dat het goed is, waarom zou je het dan veranderen? Als je het dan hetzelfde houdt als het was, dan blijft het immers goed.’

Doelt hij nu op de naam van zijn zaak of de kwaliteit van zijn friet? In het eerste geval snijdt de redenering hout. Geen kekke nieuwe naam of marketingtrucs, maar het eenvoudige opportunisme van een hardwerkende ondernemer. Heel Sassenheim kent Men Zegt, dus blijft het gewoon Men Zegt.
In het tweede geval blijkt stilstand wellicht achteruitgang. Het zal niet leiden tot beroemde friet waar tot in Leiden en Haarlem over wordt gepraat. Vooruitstrevend is het niet. Maar dat hoeft ook niet, voor een snackbar in Sassenheim. De Sassenheimer vaders uit de buurt komen toch wel op zaterdagavond, zodat de Sassenheimer kinderen de friet van Men Zegt zich zullen herinneren als de beste van de wereld.

Gebbetje van beton

Hoe zou het ondertussen in Zoetermeer zijn? De meeste landgenoten zullen er vooral voorbijrijden over de A12. Maar ook op de snelweg is de Haagse slaapstad niet te missen. Zoetermeer heeft namelijk de Nelson Mandelabrug. Een flink gevaarte met veel beton, ronde vormen en een glazen kap, dwars over de snelweg heengelegd. Een brug die wel even indruk maakt. Niet te missen, zo tussen de kassen van Bleiswijk en het Prins Clausplein in, net zoals de man waarnaar hij is vernoemd overigens.

De brug werd aangelegd voor de Floriade van 1992, die toen aan de zuidkant van de A12 was aangelegd. Aan de stadskant lag al een Afrikaweg, dus de keuze voor de Zuidafrikaanse held, die toen pas twee jaar vrij was en volop bouwde aan zijn land, lag voor de hand. Een andere relatie tussen de betonnen ronde vormen en Mandela zelf is er op het eerste gezicht niet, dus ga ik op zoek naar aanwijzingen over de naamgeving. Misschien verbeeldt de brug de gang van de grauwe jaren ’70-samenleving naar het bloemrijke paradijs van de Floriade? In dat geval heeft de brug zijn figuurlijke functie verloren: op het Floriadeterrein is ergens in de jaren ’90 een knots van een woonwijk verrezen: Rokkeveen. Zoetermeer gaat gewoon verder waar het gebleven was, maar dan aan de andere kant van de A12.

Zoetermeer is trouwens niet de enige. In Utrecht heb je ook een Nelson Mandelabrug. In niets lijkt deze op zijn Zoetermeerse collega. Een flets mintgroene ophaalcontructie in de Van Zijstweg, een lelijke verkeersweg achter de Jaarbeurs. Op de brug is het zwart-geel-groen van het ANC aangebracht als een vlaggetje. Daarin de naam van de Afrikaanse leider. Het vloekt bij het mintgroen van het koele staal. Een brug die de status van Mandela eigenlijk niet waard is.

En dan heb je nog de Mandelabrug in Arnhem. Een kloeke brug die je het drukke centrum uit voert en uitzicht biedt op de uiterwaarden van de Rijn. Het serieuze bruggenwerk. Een lange overspanning die het Hollandse rivierenlandschap doorsnijdt, midden in de stad. In Arnhem weten ze wel hoe belangrijk bruggen zijn. Daarmee vergeleken steekt zelfs het Zoetermeerse exemplaar schril af. Bijna grappig met die ronde vormen. Een gebbetje van glas en beton.

Alhoewel, dat Zoetermeerse gebbetje overspant wel ongeveer alle soorten infrastructuur die je kunt verzinnen. Snelweg, spoorlijn, metrolijn, twee stadswegen en een paar slootjes. De brug trekt zich er niets van aan, en gaat overal gewoon overheen. Een verbindende factor in zijn typerende eigen stijl. Een mooiere verwijzing naar Mandela is er volgens mij niet.

20140709-205655.jpg

20140513-073700.jpg

Hansje Brinker-kerk

De Lek stroomt van niks naar nergens. Het heeft geen fatsoenlijk begin en geen einde. Ergens onder Utrecht wordt de Neder-Rijn de Lek. Bij Kinderdijk neemt de Nieuwe Maas het geruisloos over. Geen monding. Niks. Gewoon iets administratiefs. Zelfde water. Zelfde kant.

Lexmond. Jarenlang voorbij gereden over de A27, nooit geweest. Een opvallende naam, die de monding van de Lek suggereert. Maar de naam blijkt niet van de Lek te komen, maar van een veel kleiner riviertje, de Laak, dat uitkwam op de Lek. Lexmond komt dus van Laaksmond. Niets is wat het lijkt, zo blijkt maar weer. Een straat in het dorp is nog naar het veenstroompje genoemd. De Laak gaat over in de Dorpsstraat. Aldaar een kerk, dorpscafé, bakker en slager. Niets bijzonders.

Goed. Vanuit Lexmond gaat het in één adem verder, de dijk op. Hier heerst de Hollandse romantiek van het rivierenlandschap. Er is geen recht stuk dijk te bekennen. Wilgen in het water. Achthoven, de A27 zoemt zachtjes. Ameide glijdt voorbij. De dijk is hier weer rechter. Er komt weer ruimte om de omgeving eens goed op te snuiven. En net als de aandacht verslapt maakt de dijk een scherpe bocht naar rechts.

Het is de Hervormde kerk van Tienhoven waarvoor de dijk moet wijken. Was ik rechtdoor gereden, had ik zo het koor van de kerk in gereden, zo strak staat de gevel tegen het dijktalud. Het lijkt alsof de kerk hier de plaats van de dijk heeft ingenomen, zo prominent staat hij in de weg. Alsof het geloof op deze plek voldoende is in de strijd tegen het water.

Niets is minder waar. De calvinistische Hollanders zijn altijd nuchter gebleven, zeker als het om bescherming van de polders gaat. De fundering van de kerk blijkt inmiddels onderdeel geworden van de dijk, en houdt grondwaterstroming onder dijk tegen. De kerk als technische oplossing tegen het hoge water. Calvijn moest eens weten.

Maar toch moet het kerkje eraan geloven. Ook hier wordt de dijk keer op keer versterkt en verhoogd. De dijk omarmt het kerkje steeds inniger. De gelovigen kunnen niet meer om de door mensenhanden gemaakte dijk heen. Als kerkgangers verwachten alleen het Goddelijke uitspansel te zien door de linkerramen, zal het ze tegenvallen. Ze kunnen de spaken van de zondagse fietsers tellen, zo dicht staan de ramen inmiddels op het asfalt.

Het Hollandse calvinisme en de strijd tegen het water. Het is altijd een goede combinatie gebleken. Kun je niet tegen je vijand op, werk dan met hem samen, dat is wat het Tienhovense kerkje lijkt te zeggen. De kerk als een soort Hansje Brinker die met zijn fundering het wassende water helpt te keren. En dat allemaal vanwege een rivier die van niets naar nergens stroomt, zo even buiten Lexmond.

De glans van de historie

Het Malieveld is het mooist is als er niet wordt geprotesteerd. De stilte van de modderige vlakte echoot het protest van een half miljoen landgenoten, leuzen scanderend tegen de kruisraketten, onderwijsvernieuwingen en allerlei andere misstanden. Op de achtergrond ruist het verkeer van de uit de stadswegen ontspruitende A12.

Tussen het Malieveld en het Centraal Station ligt een uitloper van het Haagse Bos, de Koekamp. De kleinschaligheid van het park contrasteert met zijn grote buurmannen, het Malieveld en het Centraal Station. Vijvers, veldjes en slingerende paden wisselen elkaar af. Vroeger was de Koekamp ‘buiten’ voor de Hagenezen. Het werd door de graven van Holland gebruikt voor de jacht. Nu is het een stadsparkje dat vooral bedoeld lijkt voor voorbijgangers die zich van en naar het station bewegen. Ik ben zo’ n voorbijganger. Over knisperend grind gaat mijn weg noordwaarts, richting de stilte van het Malieveld.

Op de Koekamp staat een boom. Om precies te zijn: een oude Paardekastanje. Kaal vanwege het winterse seizoen is de omvang van zijn kruin in volle glorie te bewonderen. Toch gauw een meter of twintig. Dat een boom zonder bloesem en bladeren al zo indrukwekkend kan zijn. Gezien de dikte van stam, toch minstens een meter, moet deze jongen de tijd van de runderen en jagende graven van Holland nog hebben meegemaakt.

Bij bomen vraag ik me altijd af wat ze in hun lange leven al hebben gezien. Als een stille getuige slaat deze Paardekastanje al tientallen jaren de Haagse vooruitgang gade, vanaf zijn stek op de Koekamp. De bouw van de ministeries in de jaren ’90, de bouw van het centraal station in de jaren ’70, de aanleg van de A12, de bouw van het provinciehuis. En natuurlijk de eindeloze stromen voorbijgangers, stelletjes, zakenmannen, ambtenaren, expats, Hagenezen en Hagenaars, en de slierten van ontevreden landgenoten van en naar het Malieveld. Jarenlang het gegons van het Malieveld. Ontelbare leuzen tegen allerlei onrecht hoorde deze boom vanaf zijn stek op de Koekamp.

Niets is minder waar. Deze boom staat hier pas een jaar of vijftien. Hij heeft altijd een meter of 80 verderop gestaan, maar moest wijken voor de Koningstunnel die eind jaren ’90 werd aangelegd. De verplaatsing van de boom werd een indrukwekkende onderneming die in het Guiness Book of Records terecht kwam. Een enorme sleuf werd gegraven waardoor het groene gevaarte met wortels en al werd getrokken naar zijn nieuwe plek. En met succes, want inmiddels is het wortelstelsel al verdrievoudigd, vertelt de site van het bedrijf dat de klus klaarde.

Tsja.

Niets is wat het lijkt. Zelfs een eeuwenoude boom blijkt een illusie. Ik kijk nog eens naar de kolossale kruin. Het blijft toch een verrekt mooie Paardekastanje. Een wonderlijk staaltje schepping. Maar de glans van de historie is er wel vanaf.

In gedachten vervolg ik mijn weg. De stilte van het Malieveld roept. De graven van Holland zijn gauw vergeten.

20140127-080327.jpg

Er hangt iets in de lucht

Het is zondagmiddag en de lucht betrekt boven het Kaaiplein in Oude-Tonge, één van de grotere plaatsen op Goeree-Overflakkee. Er zit regen in de lucht, dat merk je aan alles. De wolken krijgen donkergrijze randen en rollen razend langs de hemel. Zij die nog op straat zijn, versnellen hun pas. Er gaat iets gebeuren, er hangt iets in de lucht. Ik mag die sfeer wel, zo verwachtingsvol en tegelijk gelaten, want er iets aan veranderen kun je toch niet.

Het Kaaiplein is het centrale plein van Oude-Tonge. Vroeger was hier de havenkom. Pakhuisjes herinneren aan levendige handel. De handelskade verderop ligt braak, in afwachting van nieuwe appartementencomplexen. Een enkele kroeg en hotel-restaurant zorgen voor een beetje reuring. Langs het Kaaiplein ligt het overblijfsel van de haven: een smalle vaart vol bootjes die Oude-Tonge met het water, het Volkerrak, verbindt. Halverwege de vaart ligt een slapersdijk waarin een smalle en diepe sluis ligt weg te roesten. Daarachter gaat de vaart over in wat ecologen een watergang zouden noemen. De natuur tiert er welig. tussen het riet is het watertje nog net breed genoeg voor de motorjachten uit het dorp. Een stukje verderop ligt de dijk, de waker, die Oude-Tonge het zicht op het water ontneemt, onderbroken door een nog smallere en diepere sluis. Het laatste beetje haven-gevoel dat er nog was ebt weg. De strijd tegen het water wint het van folklore.

Ik loop vanaf het Kaaiplein langs de kroegen de Voorstraat in. Aan het einde van de straat doemt de Hervormde kerk op, een kloek gebouw met een flink verzakte toren. Het is inmiddels kwart voor zes. Uit alle hoeken en gaten komen de kerkgangers tevoorschijn. De heren in pak, de dames met hoed. Één voor één verdwijnen ze de door de zijdeur, ook al flink verzakt, de kerk in. Een Hyundai I10, type koekblik, stopt voor de kerk en levert nog drie laatkomers af. Het zijn dames op leeftijd. Een voor een stappen ze uit, zetten ze de hoed op en schuifelen ze de kerk in. Het duurt nog een minuut of twee en dan zet het orgel in. De muziek walst door de Voorstraat, maar op straat kun je een speld horen vallen. De eerste regendruppels kleuren de klinkers. Oude-Tonge laat het gelaten over zich heen komen.

20130915-211140.jpg

Ruimte voor de Rivier

Denkend aan Holland
zie ik Ruimte voor Rivieren
traag door oneindige
besluitvorming gaan,
rijen onverklaarbaar
onderzoeken en papieren
met grote pluimen
naar Den Haag toe gaan;
en in geweldige
gedachten verzonken
de bestuurders
verspreid door het land,
klankbordgroepen, dorpen,
adviseurs en ambtenaren,
vergunningverleners
in een groots verband.
De uiterwaard is verlaagd
en de natuur wordt er langzaam
in veelkleurige ontwerpen
zo min mogelijk verstoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.