Krant

Er ligt een krant op straat, een zaterdageditie van de Volkskrant. Het magazine is er dwars ingestoken. De roze letters ‘Volkskrant Mag’ zijn nog net zichtbaar. Open en bloot ligt het pakket papier daar op de klinkers. De meeste kranten krijgen hun bestemming achter de voordeur, maar deze ligt ervoor. Het doet denken aan de jaren ’50, toen melkflessen voor deuren werden gezet, in het volle vertrouwen dat de melkboer de lege fles wel zou omwisselen voor een verse. De centen netjes bovenop de dop. Een tijd van vertrouwen.

Hier is het andersom. De bezorger vertrouwde erop dat de eigenaar de krant wel van de straat zal rapen. Wat de zaak bemoeilijkt is het feit dat het om een gedeelde voordeur gaat. Ernaast is een aluminium plaat bevestigd met negen deurbellen erop. Met onleesbare kaartjes ernaast. Het dilemma voor de postbode wordt ineens begrijpelijk.

Tijd en plaats doen de wenkbrauwen fronsen. Het is zaterdagmiddag, half vijf. De stoep waarop de krant zich bevindt is die van de Thomas a Kempisstraat te Zwolle. De krant ligt er dus al de hele dag. Honderden mensen liepen voorbij, op weg naar de Action, Aziatische supermarkt, opticien, kebabtent of sushizaak. Niemand sloeg acht op de kwaliteitskrant. Hij lag daar maar. Op straat.

Rechts van de krant zit een bezorgzaak voor spareribs. Links een fietsenzaak. De krant is ingeklemd tussen uitgestalde fietsen aan de ene kant en bezorgscooters aan de andere. De argeloze passant blijft op afstand. Een klein trektentje beschermt de fietsen tegen water en zon. Geen overbodige luxe. De bovenkant buigt door van het vele water dat erop is blijven staan. De e-bikes eronder glimmen dat het een aard heeft.

Het nieuws van de dag ligt al urenlang onaangeroerd op de klinkers. Het is al bijna oud nieuws. Poetin, Gaza. De dag heeft het nieuws al ingehaald. Het knisperende is er inmiddels wel af. Bovendien deed de regenbui het exemplaar de das om. Het pakket papier golft.
Een man van de fietsenzaak komt naar buiten en haalt de fietsen één voor één naar binnen. Na de laatste bakfiets komt hij terug voor het trektentje. Wijdbeens gaat hij onder het tentje staan en steekt beide handen in de lucht. Zijn behaarde buik wordt even zichtbaar als hij zich uitstrekt. Een golf van water plenst over de klinkers.

Een fatbike trekt zoemend voorbij. Een zwarte Mazda met aanhanger trekt toeterend op. het water sijpelt in de richting van de krant Het wordt niks meer vandaag, met het nieuws.

2025-09-22T10:00:00+00:0022 september 2025|schermutseling|

Seizoen

De overweg sluit. Bescheiden beginnen de bellen te rinkelen, als om de verkeersdeelnemers niet teveel tot last te zijn. Het wordt ruw onderbroken door het geluid van slippende banden. Ondanks zijn witte oortjes heeft de jongen het gehoord. Hij is op tijd, maar zijn fiets lijkt geknikt: Het frame staat diagonaal voor de stopstreep, het stuur staat keurig recht.

Hij houdt het midden tussen een achtergebleven scholier en een knecht zoals je ze wel op de steigers vindt. Een onbestemde blik zoals alleen pubers die kunnen hebben. Wilde krullen, wijde broek. Kleine verfspetters doen mij twijfelen. Bovendien ontbreekt de rugzak.

Tussen zijn knieën, of de plaats waar die ongeveer moeten zitten, glimt de stang van zijn Gazelle. Een degelijke stadsfiets. Fragiel lampje. Glimmende jasbeschermers. Geen fietsbatterij te bekennen. Eenvoudige dunne bandjes. Banden waar je aan denkt als je zegt ’28 inch’. Kom er nog maar eens om.
De jongen ziet verveeld hoe de bomen zich openen. Als eerste zet hij aan, gaat er eens stevig voor op de pedalen staan. In slow-motion schuift hij over de overweg. Kort werpt hij een blik op de verdwijnende trein. Vervolgens steekt hij recalcitrant schuin over, dwars door het tankstation. In zijn kielzog een sliert scholieren – de kortste weg naar het fietsenhok verderop.

In een horizontale streep laat de zon zich heel even zien. Ik zie de lege bagagedrager van de jongen om de hoek verdwijnen. Het seizoen is weer begonnen.

2025-09-15T11:42:17+00:0015 september 2025|schermutseling|

Gewond

De stad Zwolle is gewond. Puin grind en kiezels liggen ingeklemd tussen de gracht van het centrum en de straten van Assendorp. Op de resten van het oude ziekenhuis verrijzen in grijs gasbeton alweer de contouren van nieuwe woningen. Het Dominicanenklooster kijkt er fier op neer, nog grootser dan vroeger. Wat nog rest zijn de stille getuigen van een halve eeuw ziekenhuis.

Weinig herinnert nog aan de plek van pijn, tranen, geluk, calamiteiten, warmte en zorg die dit geweest is. Op het asfalt van de straten van Groot Weezenland vind je nog in vervallen grijs de letters ‘ambulance’, met een pijl voor linksaf. De loeiende sirenes liggen in nog vers in het geheugen van de geveltjes aan de rechterkant, die het ziekenhuis nog gebouwd zagen worden. Langs de Luttenbergstraat staat nog het zusterhuis. In de gevel prijkt het ingemetselde symbool van barmhartigheid: de samaritaan. De losgehaalde stenen aan de rand van de gestalte verraden een vooronderzoek. Krijgen we de Samaritaan onbeschadigd van zijn plaats?

En vlak bij de wat vervallen parkeerplaats langs de gracht verraadt de bushalte het recente verleden. Een grote bushalte in het niemandsland, zo vlak langs de bruisende binnenstad. Gele neonletters. Veel bussen. Zo veel dat op het vertrouwde gele bord de nummers niet eens meer genoemd staan. “diverse lijnen richting station” staat erop. Dat zal met de volgende aanbesteding vast wel verminderen. En daarboven: Isala klinieken. Een vergeten bushalte met de naam van een afgebroken ziekenhuis. Links van mij de torenspits van de Dominicanenkerk. Rechts de Sassenpoort. Achter mij de eerste prefab contouren van vernieuwing. Het zal niet lang duren totdat deze Zwolse wond geheeld is. De bushalte krijgt dan ongetwijfeld een naam die minder vergankelijk zal zijn, al heeft de tijd daarbij altijd het laatste woord.

2017-09-20T15:00:14+00:0020 september 2017|De vooruitgang|

Tegen de stroom in

Dinsdagmiddag. Door de Van Karnebeektunnel fietst een grootvader. Kleindochter knijpt in opa’s jas. Haar ogen glijden langs de muurschilderingen. Kleinzoon fietst ernaast, dapper trappend door het donkere gat dat Zwolle-Zuid met de binnenstad verbindt.

Een opa in functie, zoveel is duidelijk. Dit is die ene dag in de week dat hij bijspringt om het gat in het weekschema van zijn kinderen op te vullen. De dag waarin hij even een rustpunt kan zijn in de maalstroom van het jachtige bestaan van een jong gezin en met aandacht en toewijding zijn taak kan volbrengen. De kleinkinderen wegbrengen. De kleinkinderen ophalen. De kleinkinderen vermaken.

De tunnel. De schemering. De fietsers. De muurschilderingen. De opa met zijn kleinkinderen. Je verwacht bij hen geen haast, maar opa heeft er toch een stevige gang in. Kleinzoon doet alle moeite om in zijn kielzog te blijven. Met een snelle haal veegt hij het zweet van het voorhoofd, en tuurt tegelijk naar het licht aan het einde van die lange, lange Van Karnebeektunnel. Opa kijkt al bezorgd over zijn schouder: “Doorfietsen jongen! Anders hebben we te weinig stroom om thuis te komen!”

Van karnebeektunnel © Marhov Pictures 2013

Martien Hovestadt heeft fotograferen als belangrijkste hobby, naast zijn werk als koordirigent en muziekdocent in Zwolle. Een omvangrijke collectie van zijn foto’s, onder andere van Zwolse straatbeelden, is te vinden op zijn website.

2017-08-31T11:50:42+00:0031 augustus 2017|Het stalen ros, Straattheater|

Carnaval der dieren (2)

De donkere dagen voor kerst zijn weer aangebroken. De bussen zijn niet blauw maar grijs, hun oranje letters steken fel af tegen het ochtendgloren. De kou snijdt door mijn spijkerbroek. En vanavond, als alles zich omgekeerd voltrekt, zal het niet anders zijn. Het dagelijks transport heeft zich verplaatst naar de donkerte.

Eén van de lampen van het busstation flikkert een paar keer en laat nog meer donkerte achter. Ik weet zeker dat een ambtenaar zich komende week druk zal gaan maken om die lamp. Want de dagelijkse forensen dienen verlicht te zijn. Ze hebben het hard nodig, deze dagen.

Terwijl de hemel oranje kleurt achter de oude blauwe vakwerkbrug krijsen een paar meeuwen om een oude boterham: hun ontbijt. Pas als lijn 29 naar Dedemsvaart optrekt maken ze plaats, om een paar seconden later weer neer te strijken. Ik besef dat we nog wat van die meeuwen kunnen leren. Ontbijten bij het ochtendgloren, we waren al bijna weer vergeten hoe dat voelt.

2016-12-08T12:00:46+00:008 december 2016|Carnaval der dieren|

Vertrek

Blauwe bussen zwenken door een haag van platanen. Het busstation getooid door de zomer, elke halte zijn eigen plataan. De Zwolse Oosterlaan doet zijn naam eer aan. Hordes scholieren en forensen worden opgeslokt en naar verder gebracht. De eerste ochtendspits van het jaar. Ieder in zijn rol. De raderen draaien weer. Twee meisjes steken al kwebbelend hun hand op. Nonchalant, als is er geen gevaar. Lijn 29 naar Coevorden maakt zijn eerste stop, na een meter of 10. De valreep. Wapperende krullen. Terwijl ze naar hun plaats stommelen maakt de chauffeur zijn draai naar de grote weg. Net op tijd grijpt ze een lus. Het jaar is nog lang.

2016-08-29T08:23:11+00:0029 augustus 2016|Treinleven|

Fransoos

En opeens, op een mooie voorjaarsavond in het buitengebied van Zwolle zie je hem staan. Een BX. Een zilvergrijze Citroën BX. Een beetje verscholen onder een flinke eik staat hij te glimmen in het avondlicht. En aan de bloesem op de motorkap te zien staat hij er al een tijdje.

Auto’s raken mij niet, heb ik mijzelf altijd voorgehouden. De autoRAI is voor mij onontgonnen terrein. Bougies, ABS, kleppen of cilinders…het roept niets op bij mij. Een auto is voor mij wat een computer is voor de gemiddelde 70-plusser. Hij moet het doen, en verder wil ik er geen verstand van hebben.

Maar dit, dit is anders. Onder deze eik staat een stukje Frankrijk. Helemaal in Zwolle beland. Een oud zwart nummerbord siert vertederend de voorbumper. Beelden van Parijse steegjes, en klinkende wijnglazen op lange Franse zomeravonden schieten door mijn hoofd en ik moet denken aan mijn grootvader. Begin jaren ’90 kocht hij een witte BX. ‘Een echte Fransoos!’ riep hij toen hij trots over zijn aankoop vertelde. In de nonchalance waarmee hij het uitsprak, kon ik horen dat hij dat vaker had gezegd. Zijn binnenvaartverleden speelde weer even op in dat soort zinnetjes. Een echte Fransoos. Alsof hij over een of andere ingehuurde bootsman had.

Op een najaarsavond liep hij trots naar buiten en liet me de achtersteven van de BX zien. En vooral hoe die kon opstijgen. Ik was niet onder de indruk, want ik was met dat fenomeen al bekend. Mijn meester van groep 6 reed nog rond in een GSA waarmee hij elke ochtend het schoolplein op kwam brullen. En die had ook zo’n stijgende kont. Nooit helemaal begrepen waar het voor nodig was maar mooi was het wel.

Niet veel later was er het auto-ongeluk. Met opa en oma was niets aan de hand, maar de BX was total-loss. Men vond het niet erg. Want zo’n BX, dat was in no time een hopeloos ouderwetse wagen geworden. Ruim twintig jaar later roept de Fransoos alweer nostalgische gevoelens op. Al zit ‘m dat vooral in de zwarte nummerplaat, dat dan weer wel.

2015-04-28T11:45:25+00:0028 april 2015|De vooruitgang|

Op de brug over de IJssel

Ik ben een passant op de IJsselbrug, de nieuwe rode Hanzeboog, die sierlijk en fel het zomerse palet van groen en blauw doorsnijdt. Ik zie het kleine veer vanuit Hattem behoedzaam draaien om stroomopwaarts aan te kunnen leggen. Ik zie het geweld van graafmachines, die stukje bij beetje de nieuwe contouren van de Buitenwaarden prijsgeven: nevengeulen, modderpoelen, kades en graslanden. Ik hoor het zoeven van de auto’s en treinen over oude en nieuwe bruggen van staal en beton. Het water, die grens van weleer, heeft voor hen geen betekenis meer. Ik zie de koeien uit de landschappen van Voerman, kalm kauwend met hun blik op de oneindige uiterwaard, zonder enig benul van de wereld achter de dijken. Ik zie de zondagse recreanten fietsend in optocht over de dijk naar dorpen als Schelle en Oldeneel. Ik zie de masten van de bootjes gedwee zij aan zij in de haven van Hattem met op de achtergrond de karakteristieke kerktoren. En te midden van dat alles, machtig en groot, zie ik de rivier langzaam de bocht nemen om de Hoenwaard, kalm kabbelend de oude zandwinput passerend, om verder te reizen naar Katerveer, Kampen en Keteldiep.

Die brede rivier die traag door oneindig laagland gaat. Die onzichtbare rivier met zijn brede uiterwaarden,nevengeulen, ooibossen en graslanden. Die meanderende rivier die Hollandse Hanzesteden verbindt en een grens vormt voor iedereen voor wie ramen en deuren los zijn in plaats van open. Die dreigende rivier die ’s winters klotsend aan de kades van Deventer en Kampen staat. Die verwoestende rivier die elk jaar de modder, strootjes, het gras, het afval en wat niet al in de afrasteringen op de uiterwaard achterlaat, de sporen van de allesverzwelgende kracht van het water. Die troostende rivier die er altijd is om uit te waaien, geruststellend constant. Die rivier die altijd komt en altijd gaat.

Dat is mijn rivier.

2014-08-04T10:00:22+00:004 augustus 2014|Ongepland Nederland|

Ter Pelkwijkpark

Het Ter Pelkwijkpark is geen park maar een straat vlakbij het Kerkbrugje, aan de rand van het centrum van Zwolle. Er staan chique onderkomens waar voornamelijk bedrijven in gevestigd zijn. Even verderop is er een grasveld zonder naam. Hoe klein ook, het grasveldje heeft alles wat het Vondelpark ook heeft. Er staan een paar grote bomen, er is een bloemenperkje, een wandelpad en er is water op over uit te kijken. Mooi. Meer heeft een mens niet nodig. Mocht dat toch te weinig zijn, dan zijn er nog altijd de passerende fietsers die het Kerkbrugje oversteken.

Is dit soms het echte Ter Pelkwijkpark?

Aan de rand van het veldje staat het oorlogsmonument: een halfhurkende man die herinnert aan de Zwolse gevallenen. Hier wordt de jaarlijkse dodenherdenking gevierd. Elk jaar wordt die aangekondigd als “op het grasveld bij het Ter Pelkwijkpark”. Het veldje mag kennelijk de naam park niet dragen.

Als de eerste warme voorjaarsdag zich aankondigt strijken jongeren er neer, de chips en cola of iets sterkers bij de hand. De fietsers op het Kerkbrugje geven hun ogen goed de kost. Op de hoek bij de Wilhelminasingel staat de Viskraam van Timmerman. Ernaast staat een man in de klassieke haring-pose. Een paar kinderen van een jaar of tien spelen in het bloemperk bij het monument. Een jonge vader rent achter zijn zoontje aan, de bijbehorende moeder kijkt onder een eikenboom toe met de kleinste op schoot. Ach, iedereen heeft zo zijn eigen geluk.

Verderop zit een verliefd stelletje, hevig verdiept in elkaar. De fietsen nonchalant naast zich neergegooid. Ik zie het voor me: fietsend op de Wilhelminasingel worden gretige blikken uitgewisseld, tegelijk zoekend naar een goede gelegenheid om elkaar eens stevig beet te pakken en van de liefde te genieten. Gelukkig is daar het grasveld, en hop! Daar sturen twee fietsen eensgezind het gras in. Wat had ik hun entree graag gezien. Maar een mens is nooit op het juiste moment ter plaatse. Of met de woorden van Martin Bril: je mist meer dan je meemaakt.

foto: Jan Stockhorst
foto: Jan Stockhorst

2014-06-30T10:00:49+00:0030 juni 2014|Straattheater|

Thuisreis

‘Goed stilzitten jongen, als je beweegt ga je vallen!’ In de Wismarstraat in Zwolle staat de vader met zijn zoons, drie jongens met onschuldig blond haar. Zijn fiets, een zilvergrijs yuppenmodelletje, staat midden op straat geparkeerd. De oudste van de drie jongens heeft wiebelig plaatsgenomen op het stuurzitje, normaliter het domein van de jongste. De middelste en de jongste hebben ieder een eigen fiets, een stoere kindermountainbike. Het kinderzitje bij vader achterop is leeg. Een kinderrugzak bungelt er troosteloos aan.

De zon schijnt zoals die alleen op een warme namiddag schijnen kan. De vader veegt het zweet van zijn voorhoofd. Grote plekken sieren zijn witte overhemd bij de oksels. Daaronder het zwarte krijtstreepje en de strak gepoetste schoenen. Hij zucht en schudt zijn krullen nog eens flink op voordat hij de jongste op de fiets hijst. Aan alles zie je dat hij er geen zin in heeft, dit gedoe. Hiij wil naar huis, aan de karbonade en daarna een zomeravond met een glaasje wijn in de tuin. Hij verlangt er nu al naar.

De oudste zit er beteuterd bij. Hij wil wel protesteren, maar kan niet. Hij kan elk moment met fiets en al tegen de grond gaan. Met geknepen oogjes kijkt hij strak vooruit. Het kan van de ingehouden woede zijn of van de namiddagzon, dat is niet helemaal duidelijk. De middelste kijkt verveeld rond. Hij zit hier ook niet op te wachten, en kan natuurlijk al lang alleen naar huis fietsen. Maar hij wacht geduldig af.

Glimlachend sla ik het tafereel gade, halt houdend in de buurt van de fiets om deze op te vangen als het misgaat. Vader geeft nu instructies. De jongste krijgt een duw in de rug mee en gaat dan onzeker op weg. Terwijl vader hem nakijkt kruisen onze blikken elkaar, maar er is geen contact. De blik van verstandhouding blijft uit.
Zonde.
De man is niet meer in staat tot relativerende blikken. Waarschijnlijk is hij al lang in gedachten bij zijn vrouw, die ongetwijfeld een mening heeft over hoe hij dit nu aanpakt. Zou het flesje wit trouwens al in de koelkast staan?

Vader klimt op zijn fiets. Het gezelschap verdwijnt in de bocht van de Wismarstraat. Het enige dat achterblijft is een blauwerode teenslipper, als een stille getuige van het zojuist gebeurde. Ik kan een nieuwe glimlach niet onderdrukken. Het wordt inderdaad een prachtige zomeravond.

2014-06-12T21:17:56+00:0012 juni 2014|Het stalen ros, Van verstandhouding|