Onder de rook van Alkmaar

‘Het wordt steeds gekker,’ zei de waard, ‘ze verzinnen steeds weer iets nieuws’. Hij zit onderuitgezakt aan één van de eikenhouten tafeltjes van café het Schermer Wapen, in Stompetoren.

Mooi dorp, Stompetoren. Het ligt midden in de Schermer, één van de Hollandse droogmakerijen, vlakbij grote broer Beemster, bekend van Unesco en de kaas.
Een kruising vormt het hart van het dorp. De Oterlekerweg komt hier uit op de Noordervaart. Linksaf Grootschermer, rechtsaf Zuidschermer. Een kaarsrechte weg begeleidt het strakke silhouet van de Noordervaart. Eenvoud alom. Al is de droogmakerij inmiddels bijna vierhonderd jaar oud, dit landschap kan zijn menselijke oorsprong nog steeds niet verbloemen.

Recht vooruit ligt de kerk waarvan inderdaad de torenspits ontbreekt. Er omheen een bescheiden begraafplaats, zoals het hoort. Op een steenworp afstand ligt het Schermer Wapen. Een fors boerderijachtig gebouw, met een grote blauwwitte R op het dak. Het doet een beetje denken aan de AC-restaurants, maar dan authentieker. Twee blauwe klompjes sieren het wapen: ‘sinds 1966’.

De waard vertelt over zijn uitspanning, over de kuikens die hij achterin zijn zaak heeft staan en over het dorp dat letterlijk onder de rook van Alkmaar ligt. Dat komt door de grote vuilverbrandingsinstallatie, een groot rood gebouw aan de rand van de polder.
‘Hier wordt afval vanuit heel Nederland verbrand, dat ze per schip over het Noord-Hollands Kanaal hierheen brengen. En nu halen ze het ook al uit Engeland. Kennelijk is dat goedkoper. Zelfs het afval wordt internationaal. En ondertussen proberen we met z’n allen het land een beetje duurzamer te krijgen’. De beste man wil niet klagen, maar toch.

Ik rijd terug richting Alkmaar en draai de ring op. De weg slingert door de industrie van Alkmaar. Aan de linkerkant steekt de grote pluim van de vuilverbranding fel af tegen de azuurblauwe en oranje lucht. Rechts een ‘business centre’ en een KFC, gevolgd door een McDonalds en een gebouw van AGU, u weet wel, van de wielrenbroekjes. Dan machtig, groot en rood: het AZ-stadion, waar allang geen jongens uit alleen Alkmaar, Zaandam, of Stompetoren meer voetballen. Een klein stukje rijden op de N242 en de internationalisering vliegt je om de oren.

De zon is een grote oranje bal geworden, en het avondlicht kleurt het asfalt oranje. Al die internationale bedrijvigheid passerend, denk ik nog eens aan wat de waard van het Schermer Wapen net zei. Engels afval. En we proberen met z’n allen het land een beetje duurzamer te krijgen. En hoewel HVC ongetwijfeld een duurzaam bedrijf is en het vast op één of andere manier slim is om Engels afval te importeren, staat het me tegen.

De HVC-Alkmaar - foto: © Peterbijkerk.eufoto: © Peterbijkerk.eu

2013-07-02T08:15:26+00:002 juli 2013|De vooruitgang|

‘Onze’ snelweg

Nederland heeft geen A3. Wie over de ring van Amsterdam vanaf de Zeeburgertunnel richting de Zuidas en Schiphol rijdt, ziet na de A1 en A2 ineens de A4. Daar tussenin, vlakbij de RAI had hij moeten beginnen. De A3 was oorspronkelijk gepland langs de oostkant van Amstelveen, recht omlaag, richting Gouda. Maar wie moet er nu van Amstelveen naar Gouda? De A3 werd nooit aangelegd. We zijn met zijn allen gaan geloven in het Groene Hart. Zelfs de HSL moest ervoor wijken en kreeg een tunnel. De A3 zal er nooit komen. In elk geval niet langs Amstelveen. De strook grond die er jarenlang voor was gereserveerd is inmiddels vol gezet met huizen en lege kantoren.

Gelukkig ligt er net over de grens in Duitsland wel een A3. Wie op de A12 bij Arnhem doorrijdt richting Oberhausen komt er vanzelf terecht. En die A3 lijkt inderdaad van de Nederlanders te zijn. Het Duitse stuk snelweg is een soort overgangszone. Nederland ligt achter je, maar Duitsland is nog niet echt begonnen. Richting Duitsland rijdend, wordt je ingehaald door Hollanders. En komend vanuit Duitsland… ach, vult u maar in.
Kortom, wie vanuit het Ruhrgebiet koerst richting A3, voelt zich al helemaal thuis. Bovendien klinken de plaatsnamen ook allemaal zo lekker Nederlands: Elten, Rees, Isselburg. Toch een stuk Hollandser dan Aschaffenburg, Wiesbaden, Köln of Karlsruhe.

Toch begint Nederland voor de vakantievierende Duitsers en huiswaarts kerende Hollanders nog een stukje eerder dan op dat saaie stuk A3: al ver voor Oberhausen komt het op de borden: Arnheim.
Arnheim. Het venijn zit ‘m in die i. Waarom Arnheim? Coevorden blijft immers ook gewoon Coevorden, en Venlo is gewoon Venlo. En het Groningse Nieuweschans is ook geen Neueschans. Alhoewel? Een aantal jaar geleden werd Nieuweschans ineens omgedoopt tot “Bad Nieuweschans”. Een stukje Duitsland in Nederland. Dat dan weer wel.

Op de A1 bij Amsterdam staat een bord dat zegt ‘Berlin’ en ‘København’, met een streepje door de ø. Maar omgekeerd hebben de Duitsers zich vergist. Tegen beter weten in blijft Arnhem Arnheim. En juist daarom geeft het zo’n apart gevoel om dat bord te zien, ergens tussen Duisburg en Oberhausen. Thuisgevoel, maar toch ook weer niet.

Ik rijd door het Ruhrgebiet en weet: die Duitsers hebben zich vergist. En al die witte nummerbordjes om mij heen hebben geen idee. Bij Oberhausen neem ik toch maar de afslag naar ‘onze’ A3, naar Arnheim. Daar rijd ik spoedig weer tussen de gele nummerborden van mijn landgenoten, die beter weten.

2013-06-25T08:47:48+00:0025 juni 2013|Het lege asfalt|

Telkens weer

In Zwolle vertrekken alle intercity’s ongeveer tegelijk. Elk half uur weer. Da’s handig voor de overstappers. “Dames en heren, dit is het station waar u nooit hoeft te hollen, over enkele minuten bereiken wij station Zwolle” riep een conducteur ooit eens om. En zo is het.

Op station Zwolle is het elk half uur even een drukte van jewelste. Intercity’s rollen binnen en vertrekken weer terwijl de passerelle (een duur woord voor voetgangersbrug) zich vult met passagiers die zich herverdelen over de zestien perrons. De trein naar Leeuwarden vertrekt als laatste. Terwijl de trein in de verte verdwijnt daalt de rust neer over de perrons. Het zal ongeveer twintig minuten duren voor het hele schouwspel zich herhaalt.

Toch is niet iedereen vertrokken. Achter mij staat een man op leeftijd, zo te zien verward. Voordat ik goed en wel kan vragen of ik hem kan helpen heeft hij me al aangesproken. Wild gebarend legt hij uit dat hij ‘die kant’ op moet, en hij wijst in de richting van Amersfoort. ‘Waar moet u naartoe?’ vraag ik maar voor de zekerheid, hopend dat een eenvoudige vraag leidt tot een eenvoudig antwoord. De beste man weet het niet en is helemaal ontredderd. Hij kan het zich niet herinneren maar schrijvend zal het makkelijker gaan. In plaats van pen en papier te pakken, roep ik lukraak wat bestemmingen in de buurt: Deventer, Kampen, Meppel, Dalfsen, Amersfoort… Ineens kijkt de man richting een blauwe lichtbak met witte letters: Zwolle.
‘Zwolle! daar moet ik heen!’

Voor een halve seconde denk ik dat het is opgelost, maar voor de zekerheid vraag ik toch nog even door. De man blijkt naar Deventer te moeten en heeft nu twintig heerlijke zonnige minuten op een stil perron voor de boeg.
Totdat alles weer van voren af aan begint.

IMG_0259

2013-06-18T13:39:43+00:0018 juni 2013|Treinleven|

De rode brug

Ik fiets op de brug bij Hattem. De grote rode, sierlijke spoorbrug over de IJssel die de naam ‘Hanzeboog’ heeft gekregen. Het doet Amerikaans aan. Een groot stalen bouwwerk, geschilderd in brandweerrood. Dit is een brug met hoofdletter B. Een robuust stuk staal dat je over de brede, glinsterende rivier naar huis brengt. Daniël Lohues schreef er een liedje over, “Ten Oosten van de Iessel”, dat des te meer van toepassing is op dit rode gevaarte:

“En be’j de brugge ienmoal over dan be’j zowat weer thuus”

en dat geldt dan voor “Silvolde in ’t Zuuden tot an Delfziel in het Noorden”, oftewel iedereen die via Zwolle naar het noorden/oosten van het land reist. Voor Hattemse scholieren werkt het precies andersom. Ze zitten in Zwolle op school en fietsen mij tegemoet in groepen. Roepend en schreeuwend, op zoek naar bevestiging van hun vrienden. Ze zijn zich niet bewust van de rode schoonheid die hen over de IJssel brengt.

Tussen de groepen in fietst een meisje alleen. Lange blonde haren, en een volle rugzak op de bagadrager. Een jaar of veertien zal ze zijn. Met één hand aan het stuur probeert ze haar telefoon te bedwingen. Ze is niet hier, maar ergens anders. Vriendin? Vriendje? Bezorgde moeder? Haar vegende duim is haar toegang tot de wereld. Ze let niet op en rijdt met haar fiets langzaam de berm in, geholpen door de vaart die het talud haar geeft.

Net op tijd komt ze terug in het hier en nu, en ze stuurt haar fiets terug het fietspad op. Ze kijkt op, schuldbewust, en onze blikken kruisen elkaar een fractie van een ogenblik. Ze ziet aan mij dat ik haar zoëven zag. Geen woord. En ik weet dat ze weet dat ik haar zag. En ook dát heeft ze gezien. Nogmaals, schuldbewust.

Op de achtergrond strekt de rode loper over de IJssel zich voor mij uit. Eroverheen dendert de intercity naar Groningen, met daarin allemaal mensen die “zowat weer thuus” zijn. En de rode brug? De brug slaat het allemaal stilzwijgend gade.

Hanzeboog

2013-06-11T19:54:38+00:0011 juni 2013|Het stalen ros, Van verstandhouding|

Zuppeld

Wie op de A50 rijdt en naar Heerde wil, heeft 2 keuzes: afslag Heerde of afslag Heerde Zuid. Afslag Heerde is een rare afslag. Het viaduct is er diagonaal over de snelweg gelegd en daardoor ontzettend lang geworden. Heerde-Zuid is een stuk gewoner: de snelweg gaat hier over de provinciale weg heen en er is een carpoolplaats met een McDonalds-restaurant. Tussen die twee afslagen ligt een viaduct met een prachtige naam: Zuppeld.

Ik zeg het een paar keer hardop: Zuppeld. Automatisch geef ik mijn z meer stem dan nodig: een zoemende z. Zzzzuppeld, nog onwetend over de juiste klemtoon. Zouden Heerdenaren Zuppéld zeggen? In denk aan Gerard van Velde, die uit Wapenveld komt en het ongetwijfeld weet. Hij staat aan de microfoon bij Mart Smeets, zijn lange haar nog verwrongen van het schaatspak, op de achtergrond de oranje zweem van het publiek.

Nee, van Velde zou ‘Suppult’ zeggen. Met een duidelijke th. En dan een woord als ‘prachtig’ erbij. Of ‘machtig mooi man’. Zuppeld, je zal er maar wonen. Zuppeld. Machtig mooi man. Dát blijkt te kunnen. Zuppeld blijkt een deel van Heerde zelf te zijn. Het heeft zelfs buurtvereniging. Zo gaat het poëtische er langzaamaan wel vanaf. Even verderop wordt Zuppeld gelukkig overtroffen.

Vemde.

Fluweel voor de oren. Een zachte V. Een korte e. Vemde. Het is eigenlijk te zonde om op te zoeken waarom dit viaduct Vemde heet. De naam zelf biedt al genoeg voor de nietsvermoedende automobilist om over te mijmeren – als deze na Zuppeld niet teveel is afgeleid door de grote gele M van Heerde-Zuid.

2013-06-04T19:49:07+00:004 juni 2013|Het lege asfalt|

Ens

Ens is een lekker voorspelbaar dorp. Een dorp zonder franje en die verwacht je daar ook niet. De opzet van Ens ligt voor de hand: het dorp ligt strak langs de N50, halverwege Kampen en Emmeloord. Loodrecht op de N50 ligt de Baan, een brede weg die het dorp netjes in tweeën deelt, precies zoals je verwacht. Aan het begin van de Baan is een parkeerplaats met daarachter het lokale café, het Wapen van Ens. Aan de straat staat een bord dat aangeeft dat de straat 4 drempels telt, dat is dus vier keer remmen en optrekken.
We zijn gewaarschuwd.
Verderop is een klein pleintje dat onlangs fris is ingericht. Bankjes, bloemen, bestrating, dat werk. Spar. Rabobank. Snackbar. Borden verwijzen naar het lokale industrieterrein. Dat heet trouwens ook gewoon Ens. We weten waar we aan toe zijn, hier in Ens.

Aan het einde van de Baan, aan de Stallijnstraat, staat de protestantse kerk van Ens. Daarvoor een rijtje houten bloembakken en bankjes. Op één van de bakken heeft iemand ‘zinvol geluk’ geschreven.

20130528-193900.jpg

Mijn bezoek aan Ens, net nog zo voorspelbaar, krijgt een onverwacht filosofische wending.
Zinvol geluk.
Bestaat er zinloos geluk? Of is alle geluk eigenlijk zinloos omdat geluk er gewoon is? Als het er al is? Ik denk aan J.C. Bloem. In 1945 schreef hij een gedicht over de Dapperstraat:

“(…)
alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Verregend op een miezerige morgen,
Domweg gelukkig in de dapperstraat.”

Of dus domweg gelukkig in Ens. Alle geluk is zinvol. En voorspelbaarheid speelt daarbij zeker een rol. Alles is veel voor wie niet veel verwacht.

2013-05-28T19:37:27+00:0028 mei 2013|De vooruitgang|

Leusden

Leusdenaren winkelen op de Grutterij en de Komenij. Smalle winkelstraten, zoals overal in Nederland. De verdiepingen van de panden zijn opgetrokken uit hout en hebben felle kleuren en korte daken. Het doet een beetje denken aan Wild West. Of een Noors bergdorp. Of het Siberische platteland. Net wat je erin wilt zien. De oranje letters van de Blokker brengen mij terug in Leusden. Er is alles aan gedaan om het knus te maken. En zo hoort het, in een Nederlands jaren-80-dorp.

Een timmerman repareert een raam van de HEMA. Een moeder probeert haar peuter het Kruidvat in te loodsen. Een man op leeftijd drukt zijn peuk uit. Voor de confectie van Marks & Spencer staan vier mannen in zwarte pakken. Jonge, ambitieuze mannen. De schoenen glimmen en het haar is vet. Eén van de vier zondert zich af en is met 2 telefoons tegelijk in de weer. Vegen met de ene hand, en bellen met de andere. Het lukt niet. Het ligt aan ‘die ene dinges’. De andere drie jonge jongens nemen wat afstand, alsof ze er niet bij willen horen. Langzaam schuiven ze naar de ingang van de Miss Etam. Ze hebben niet door dat ze in Leusden zijn. Op de Komenij.

20130914-174836.jpg

2013-05-21T17:02:47+00:0021 mei 2013|Straattheater|

Ameland

Waar begint Ameland? Zo’n vraag komt in mij op als ik over de A32 naar het noorden rijd. Voorbij Heerenveen wordt het snel drukker. Ineens is daar het bord met Werpsterhoek erop. Leeuwarden kondigt zich aan. Vlak daarvoor, bij net zo’n blauw bord begint Ameland.
“Ameland volg Stiens”.
Friese poëzie.

Vervolgens is het nog een heel eind. Door Leeuwarden, over het immens lelijke Europaplein, en verderop linksaf naar en langs Stiens. En dan het kralensnoer van dorpen: Hallum. Marrum. Blije. Ferwert. Holwerd.

Holwerd. Wie Holwerd zegt, zegt Ameland.
Eigenlijk is het al een beetje Ameland. Ik ga linksaf, met een slinger de dijk over. Dan: het lege niets, het einde van de wereld. De grote boten van Wagenborgen. Het ruikt naar de zee. In de verte lonkt het eiland.

We leggen aan. Ik rijd de pier op. De commercie van eettent de piraat en de firma Kiewiet die fietsen verhuurt. Een grote Volvo haalt me in, onder de open achterklep een fiets. Een simpel touwtje voorkomt dat de zaak losschiet. En dan slokt de strakke dijk de pier op. Hier begint Ameland echt. Maar waar is het eilandgevoel?

In de verte (is er een verte op een eiland?) de gele supermarkt uit Veghel. Hier ook al. Aan de andere kant staat een grote doos van de horecaboer Hanos. De vooruitgang van Nes: het is duidelijk waar het op het eiland om draait. Mijn blik dwaalt naar rechts en daar staat het oude huisje van de Amelander duivenvereniging. Grijze metalen hokken achter de vervallen ruitjes. Hier begint Ameland.

IMG_1559

2013-05-14T19:49:55+00:0014 mei 2013|Ongepland Nederland|

Barneveld

Barneveld heeft veel kerken. Langs de Langstraat, de hoofdwinkelstraat van het dorp, staan er twee. De oude Hervormde kerk valt het meest op, en is het oorspronkelijke middelpunt van het dorp. Op de eeuwenoude toren is een glazen bordje bevestigd dat meldt dat de Heer op zondag driemaal kan worden aanbeden. Om half tien, om kwart voor vijf en om zeven uur.

Aan de kerk kleeft het verhaal van Jan van Schaffelaar, een ridder uit de middeleeuwen die zich met zijn manschappen verschanste in de toren in de twist tussen de Hoeken en de Kabeljauwen. Jan was een Kabeljauw. De Hoeken dreven hem in het nauw en wilden dat Jan van de toren sprong. Jan sprong en werd de held van Barneveld.

De betonnen versie van Jan kijkt uit over het Torenplein. Aan de linkerkant modehuis Klomp. Een grote kip siert de gevel. Aan de rechterkant het vertrouwde oranjeblauw van de Rabobank. Daar tussenin een lint van bankjes in moderne stijl. Ze zijn genoemd naar de dorpen in de omgeving, daar waar de mensen zijn aangewezen op Barneveld, tenminste, als ze meer willen dan de dagelijkse boodschappen of een Hervormde dienst.
Kootwijk.
Stroe.
Voorthuizen.
Garderen.
Ik kijk naar de toren, en zie het silhouet van Jan terugkomen in de klinkers van het plein. CSI, maar dan gestold, met een keurig zilveren randje eromheen. Arme Jan.

De andere kerk staat een eindje verderop, halverwege de Langstraat. Het is de katholieke Catharinakerk. Aan de gevel van de kerk hangt het overzicht van activiteiten van deze week: de repetitie van het koor, de vergadering van het bestuur, en op zondag het afscheid van de pastor. Heel gewone dingen eigenlijk.

Voor de kerk is een klein plein met bankjes. Er omheen een rozenhaag. Recht tegenover de kerk zit eetcafe De Straaljager. Achter het glas zitten twee dames op leeftijd. Één de twee neemt net een hap slagroom van haar appelgebak. Een bord naast de gevel vertelt dat zo’n appelgebak hier een stuntpiloot heet.

Ik denk aan Jan van Schaffelaar. Dat was pas een stuntpiloot. Maar daar heeft dit café niets mee te maken. Jan van Schaffelaar staat immers een eindje verderop. Bij een heel andere kerk.

2022-02-15T12:59:12+00:0016 april 2013|Straattheater|

Croeselaan

En daar lag ze. In een sierlijke beweging op het graniet. Een heer met lange jas en klassieke hoed kijkt even op en loopt weer door, de gure wind trotserend.

Het graniet is van de Croeselaan. De lange rechte laan tussen Utrecht Centraal en de Jaarbeurs. Om precies te zijn: het graniet ligt voor het hoofdkantoor van de Rabobank, de immense ‘verrekijker’ die hier een paar jaar terug verrees en de skyline van Utrecht domineert. Het nieuwe en het oude gebouw hebben samen een grote glazen pui gekregen, met een afdak dat op dunne palen rust. Op de pui is ruimte voor ‘exposure’ zoals dat heet. Hier kan de Rabobank zich van zijn beste kant laten zien. Er staat iets op over een spaanse kunstenaar. En verderop de tekst: “art is not culture, contemporary art criticizes culture”. Het is maar dat je het weet. De Rabobank doet lang niet alleen in geld.
Het is druk op het trottoir. Bankmedewerkers en gasten zoeken hun weg, maar zonder haast. Mantelpakken en grijze revers flaneren over het graniet. De grote glazen pui weerspiegelt de schaduwen. Als ze stil zouden staan lijken ze net het logo van de Rabobank zelf. Het blauwe mannetje dat een voorzichtige stap zet op het goudoranje schild. Even zie ik talloze Rabobank-logo’s lopen op het granieten trottoir.
Met de komst van de Verrekijker is het druk geworden op de Croeselaan. Naast het Beatrixtheater de Luitenant Generaal Knoopskazerne, en dan het oude spiegelgebouw van de Rabobank, dat tegen de verrekijker aan is gebouwd. Daarnaast de wat verloren flat met “Imagine” erop. Aan voorstellingsvermogen geen gebrek, hier op de Croeselaan. Toch ademt het hier geen grootstedelijkheid. Tegenover het graniet van de Rabo staan gewoon de woningen uit begin vorige eeuw. Niks bijzonders. Aan het einde een Scheer en Foppen. Moeders met kinderwagens passeren een enkele vroege student. Lijn 1 naar Hoograven wurmt zich door het verkeer. Een grote stroom fietsers negeert massaal het rode licht. Een meisje probeert op haar skates de flanerende bankmedewerkers te ontwijken. En hop, daar ligt ze. In een sierlijke beweging op het graniet. Heel even lijkt alles stil te staan.
2013-04-04T07:58:14+00:004 april 2013|Straattheater|