Seizoen
De overweg sluit. Bescheiden beginnen de bellen te rinkelen, als om de verkeersdeelnemers niet teveel tot last te zijn. Het wordt ruw onderbroken door het geluid van slippende banden. Ondanks zijn witte oortjes heeft de jongen het gehoord. Hij is op tijd, maar zijn fiets lijkt geknikt: Het frame staat diagonaal voor de stopstreep, het stuur staat keurig recht.
Hij houdt het midden tussen een achtergebleven scholier en een knecht zoals je ze wel op de steigers vindt. Een onbestemde blik zoals alleen pubers die kunnen hebben. Wilde krullen, wijde broek. Kleine verfspetters doen mij twijfelen. Bovendien ontbreekt de rugzak.
Tussen zijn knieën, of de plaats waar die ongeveer moeten zitten, glimt de stang van zijn Gazelle. Een degelijke stadsfiets. Fragiel lampje. Glimmende jasbeschermers. Geen fietsbatterij te bekennen. Eenvoudige dunne bandjes. Banden waar je aan denkt als je zegt ’28 inch’. Kom er nog maar eens om.
De jongen ziet verveeld hoe de bomen zich openen. Als eerste zet hij aan, gaat er eens stevig voor op de pedalen staan. In slow-motion schuift hij over de overweg. Kort werpt hij een blik op de verdwijnende trein. Vervolgens steekt hij recalcitrant schuin over, dwars door het tankstation. In zijn kielzog een sliert scholieren – de kortste weg naar het fietsenhok verderop.
In een horizontale streep laat de zon zich heel even zien. Ik zie de lege bagagedrager van de jongen om de hoek verdwijnen. Het seizoen is weer begonnen.

