Tijdsbeeld

Er zit een man in een wasserette. Zijn grijze haren zijn in strengen over zijn hoofd gekamd en een pen ligt in zijn handen. Zijn rug bolt iets op waardoor zo’n typische schrijfhouding ontstaat. Zijn linkerarm mooi gekruld om een ansichtkaart. Een ansicht, zoals zijn generatie die meestal noemt. De wasserette staat in de Amsterdamse Westerstraat, één van de brede slagaders van de Jordaan. In de buurt zijn een bakker, een drogist, een cafe, een galerie, twee stomerijen en een meubelmaker gevestigd. Op het raam van de wasserette staan nog oude letters die vertellen dat hier eerder een handelaar in handtassen gevestigd was.

Wie schrijft er tegenwoordig nog een ansichtkaart? De meeste kaarten die ik krijg zijn door een computer gemaakt. Het is een simpele invuloefening geworden achter het beeldscherm. Facebook herinnert je aan de jarigen. Attent ben je dan met een berichtje. Attenter is het om een papieren kaartje te laten bezorgen en het kost net zoveel moeite. De overtreffende trap is het handgeschreven kaartje – het verjaardagsbezoek laten we maar even buiten beschouwing. De handgeschreven kaart is inmiddels een zeldzaamheid omdat het inspanning vereist. En een klein stukje geduld.

Het geduld waarmee de man in de wasserette zijn gedachten op papier zet is voelbaar. Hij kijkt niet op of om. Hij slaat de tijd van een wasbeurt stuk met het krassen van zijn pen. Er gaat een rust vanuit die alleen nog bij zijn generatie te vinden lijkt. Terwijl ik naar hem kijk stolt de tijd voor een ogenblik. Het herinnert me aan regenachtige zondagmiddagen bij mijn grootouders. De absolute stilte, alleen onderbroken door de tijd: een tikkende klok. Opa en oma lezend in hun vilten leunstoel. De draaiende wasmachine die zachtjes zoemt vanuit de bijkeuken.

Het is een schilderij. Een tijdsbeeld ingeklemd tussen vier kozijnen. Een man aan een grenen tafeltje die de tijd neemt voor een attentie. Twee lange rijen roestvrijstalen wasmachines zorgen met hun lange lijnen voor het benodigde perspectief. De donkere trommels die afsteken tegen het net te felle licht. Zonder die achtergrond zou de man gewoon een man aan een tafeltje zijn. In deze wasserette is hij een anachronisme, een beeld van een tijd die nog net de onze is. De handgeschreven ansichtkaart is al een zeldzaamheid geworden.

Mijn blik gaat door de tegenwoordigheid van de Westerstraat. De slagader van de Jordaan beweegt mee met de tijd. Een meisje wiebelt op een waveboard. Een auto aan een stekker. Een fauteuil die clubchair wordt genoemd. Temidden van dat alles is het heel vanzelfsprekend: een man schrijft een ansichtkaartje in een wasserette. Het kan nog, maar het duurt niet lang meer. Het schilderij van zoëven zal binnen niet al lange tijd alleen nog een tijdsbeeld zijn. Want zo gaat dat met het verstrijken van de tijd: het levert voortdurend nieuwe dingen op om op terug te kijken.

Dood gevonden worden

Er ligt een vogel op spoor 2. Dood. Het was een plotselinge trein, of waarschijnlijker, de bovenleidingsdraad die na een moment van blinde paniek over het hoofd werd gezien. Een schok, een stuiptrekking en dat was het. Nu ligt hij met zijn pootjes op een grijsbetonnen dwarsligger. Zijn kopje ligt tussen de kiezels en de vleugels zijn gespreid. Het einde was abrupt, hij heeft er niets meer van meegekregen. Gelukkig maar.

De reizigers op station Amsterdam-Zuid bekommeren er zich niet om. Ze kijken op hun telefoon of speuren in de verte, ongeduldig wachtend op hun verbinding, de trein naar huis. Op de Zuidas is de dood ver weg: het gonst er van het leven. De jonge werkende klasse zet er de toon. Het is de wereld van pakken, van meetings, follow-ups, elevator-pitches en winstwaarschuwingen. Evenals de dood is ook de natuur ver te zoeken. Duurzaamheid is er vooral een woord dat samenhangt met goede sier en imago. Banken, verzekeraars… hier gaat het om virtuele wereld. Gebakken lucht, weten we sinds de crisis. De échte lucht is ondertussen verstoken van vogels. Vooral vanwege het beton, het kunstlicht en het lawaai van de massa’s treinen, trams en files. Op de Zuidas wil je nog niet dood gevonden worden als vogel.

Dode vogel op spoor 2

Maar deze rare vogel overkwam het. Nu ligt hij daar toch zeker al een paar dagen in zijn openbare graf. De duizenden reizigers laten hem links liggen, gunnen hem geen blik waardig. In de nachtelijke uren, nadat het gerommel van de laatste tram in de verte is weggestorven, trekken de lijkenpikkers hem naar de vergetelheid, tot er alleen een pluizig karkas over is. Een vlek op het beton.

De troost in dit kader wordt geboden door de vooruitgang. De gemeente Amsterdam, Prorail en Rijkswaterstaat bouwen ter hoogte van het station het Zuidasdok: twee tunnels voor de snelweg. Daartussenin een nieuw station met misschien wel een grote overkapping, dat in ieder geval een deel van de bovenleidingen afschermt voor passerend gevogelte. Bovenop de snelwegtunnels komt ruimte voor groen. Groen voor de mensen van de Zuidas, die dan tijdens hun lunchpauze misschien wel een vogeltje horen fluiten.

Foto Zuidas: gemeente Amsterdam

Gezocht: plek voor idealen

Elke stad heeft zijn hangplek. Een smoezelig achterafparkje. Een stukje stad waar niemand zich druk om maakt. Vergeten door beleidsmakers, op zomeravonden ingenomen door jongeren die elkaar wat te vertellen hebben. “Tussenland” wordt het ook wel genoemd. Iedereen heeft wel zo’n plek, een achteraflandje waar je heen ging met vrienden. Om te praten over meisjes. Om samen te drinken, samen te huilen. Het zijn de rafelrandjes, de mooiste stukjes stad.

Amsterdam had de Diemerzeedijk. De achterkant van Amsterdam, met uitzicht op de havens, de flats van Diemen, de energiecentrale en aan de andere kant de havens aan het IJ. De Amsterdamse schrijver Nescio beschreef begin vorige eeuw al, toen al die uitzichten er nog niet waren, het doelloze hangen aan de Diemerzeedijk perfect in zijn boek Titaantjes.

De titaantjes zijn vijf jongens, vol idealen. Ze hangen bij elkaar op een zolderkamertje, in het Sarphatipark, in de Zandvoortse duinen, aan de Diemerzeedijk. Ze steken elkaar de loef af met hun recacitrantie en non-conformisme, maar komen uiteindelijk allemaal keurig terecht. Nescio’s werk is doordrongen van het verzet tegen het conformeren aan de maatschappij. De angst voor de burgerlijkheid die van alle tijden is. De Diemerzeedijk is een van de belangrijkste decors van het boek:

“En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees, die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker wisten nergens van. Die zaten op de stenen onder aan de zeedijk met de ogen half dicht en keken tussen hun oogharen door naar de dansende gouden pijltjes die de zon in ‘t water maakte.”

Nescio voltooide zijn Titaantjes in 1914. Honderd jaar later is er veel gebeurd. De Diemerzeedijk werd afgesneden van de stad door het Amsterdam-Rijnkanaal. Het gebiedje werd het een van de smerigste stukjes van Nederland, een vuilstort, het afvalputje van Amsterdam. Vanaf de dijk staar je niet meer over de Zuiderzee, maar op de hippe huizen van IJburg. Gebouwd voor mensen die zich hebben geconformeerd aan de normen van de maatschappij. Je kijkt recht de burgerlijkheid in. De vuilstort werd gesaneerd en het gebied werd omgetoverd tot het keurige Diemerpark. Vanuit Diemen kwam er een slingerende witte brug met ranke pylonen over het Amsterdam-Rijnkanaal: de Nesciobrug. Het Diemerpark werd een park voor de yuppen van IJburg, voor gezinnen met hun Goldenretrievers en jongens van een jaar of twintig. In groepjes, rondhangend aan het water op zoek naar een plek voor hun idealen. Nescio wist het al:

“Het was een wonderlijke tijd. Als ik er even over nadenk, dan moet die tijd nog voortduren, die duurt zolang er jongens van negentien, twintig jaar rondlopen. Maar voor ons is hij lang voorbij”.

Zolang er Titaantjes zijn, zijn er de ongepolijste plekken waar ze hun idealen delen. Het Diemerpark is nu een gepland stukje burgerlijke stad geworden. Nieuw ongepolijst tussenland is weer nodig, en het zal ongetwijfeld gevonden worden. Er is altijd ruimte voor idealen. Die wonderlijke tijd van de titaantjes zal altijd voortduren.

Nesciobrug

Voorbijganger

De man zit achterin tram 7. Zijn haar lijkt op dat van Lambiek. Drie haren links en drie haren rechts op zijn ronde gezicht. Zijn grijze pantalon hangt op zijn navel en is boven veel breder dan onder om zijn ronde buik goed te kunnen omsluiten: een vormeloze oudemannenbroek. Hij staart wezenloos uit het raam en laat de Kinkerstraat aan zich voorbijglijden. Hij heeft een rauw gezicht, maar zijn blik staat vriendelijk, de scherpe kantjes zijn er inmiddels wel vanaf. Tussen zijn benen een boodschappentas van dik zwart linnen met een leren hengsel, van het degelijke soort. Een gouden horloge schittert aan zijn rechterarm. Op zijn linkeronderarm een verschoten tattoo, een getekende herinnering aan vervlogen tijden.

Welke herinneringen tekenen deze man? Wat maakt hem tot wat hij is? Zijn gestalte vertelt een verhaal, maar ik weet niet welke. Als de tram optrekt zie ik een glimp van wat de man vroeger was. Gretig drukt hij op de knop. Hij komt kwiek overeind om zich bij het hekje van de achterdeur op te stellen. Bij de Jan Pieter Heijestraat komt de tram tot stilstand en stapt de man uit. Nu is het weer de man op leeftijd. Behoedzaam neemt hij elke trede en landt hij op het smalle perron. Het gaat niet meer zo gemakkelijk als vroeger, maar hij heeft zich er volledig mee verzoend.

De deuren sluiten en de tram trekt andermaal op. De man draait meteen achter de tram langs de straat op. Zonder te kijken steekt hij over. Daarna kijkt hij wel drie, vier keer om, alsof hij zeker wil weten dat de tram echt verder gaat zonder hem. De brug op, de Witte de Withstraat in. Als de tram de hoek om gaat zie ik de grijze gestalte opgaan in het publiek van de Kinkerstraat. Vlak daarvoor kijkt hij nog één keer op. Dan is hij weer een van die duizenden Amsterdammers geworden. En ik denk aan die ene loodzware zin die mij vroeger al werd ingeprent: wij zijn allen voorbijgangers. Dat blijkt maar weer.

20140209-155703.jpg

Roestverzamelaars

Een wit busje stopt in de Jan van Galenstraat. Het is een politiebusje met een laadbak vol oude fietsen. Twee dienders stappen uit. Een Surinaamse man met nog zo’n echte bromsnor en zijn Hollandse collega, beiden van het lijvige soort. Het is duidelijk wat de bedoeling is.

Opschonen. Zuiveren. Verwijderen. Een edele taak.

Precies voor mijn terras is het leidend voorwerp gauw gevonden. Een krom wiel, platte banden en het frame bruin van de roest. Het wrak was mij totaal niet opgevallen, maar deze mannen hebben er duidelijk oog voor. Deze agenten stralen bovendien gezag uit, ook al zijn ze niet uit op een heterdaadje. De fietsen wachten immers wel. Maar toch, ze nemen hun taak uiterst serieus. De misstanden die kunnen ontstaan door de aanwezigheid van overbodige vergeten fietsen moeten koste wat kost worden voorkomen. In het belang van de stad, uiteraard. En laten we volk en vaderland niet vergeten.

De daad is snel verricht. Één agent staat wijdbeens op de bak, de ander ontfermt zich over de patient. Een klein slijptolletje doet zacht piepend zijn werk. Met een zwaai gaat het wrak door de lucht. Klaar, zou je zeggen. En de mannen stappen in, een portier slaat, het busje trekt op naar het volgende roestige slachtoffer.
Niet dus.

De agent pakt zijn zakcomputer en begint driftig gegevens in te toetsen. Zijn bromsnor trilt er een beetje bij, alsof hij elk moment kan verdwijnen in een flinke niesbui. Daarna pakt hij een compactcameraatje en begint het stuk roest uitgebreid op de gevoelige plaat vast te leggen, alsof er zojuist een misdaad is gepleegd, plaats delict: Jan van Galenstraat. De plaats waar de fiets was gestald wordt nog net niet met krijt gemarkeerd.

Dit alles gebeurt uiterst kalm. De diender wil er zeker van zijn dat elk detail van zijn patient is vastgelegd. Zorgvuldigheid gaat hier duidelijk voor snelheid. Kalmpjes haalt de agent een spin tevoorschijn, waarmee hij het wrak vastmaakt aan zijn medeslachtoffers. De mannen stappen in. Portieren slaan. Het busje trekt op. De Jan van Galenstraat is weer zoals hij was, zij het met één fiets minder. De dames op mijn terras keuvelen er niet minder om. Ieder zijn meug.

oudefiets

foto: Jacques Mounnezergues
Jacques Mounnezergues fotografeert fietsen in Amsterdam. Zijn verzameling is inmiddels indrukwekkend. Klik hier voor zijn Flickr-pagina.

In het gelid

Maandagochtend, de Dappermarkt bouwt op. Een lange slinger van kramen vult de Dapperstraat. Telefoonhoesjes en panty’s komen tevoorschijn uit dozen en kisten. Hier en daar klinkt al zacht muziek, maar vele kramen zijn nog leeg. Werknemers zitten met bungelende teenslippers verveeld te wachten tot hun baas en het te verkopen goed arriveert. Het zijn zonder uitzondering mannen. Mannen met petten. Mannen met snorren. Mannen met grijs haar in een staart. Mannen met grote, knoestige handen. De mannen van de markt, wat moet de Dappermarkt zonder hen?

Op het terras van McDonalds slaan de vaste gasten het ritueel van het opbouwen gade onder het genot van een kopje goedkope koffie. Ondertussen wordt er zacht gepraat. Een man op een scooter komt aangereden en verstoort de rust. ‘Effe lachen Appie!’ roept hij luidkeels en hij grijnst erbij zoals dat alleen lukt als je goed uitgeslapen bent.

Appie staat met zijn groentekraam op de hoek recht voor het terras. Hij heeft kort licht grijzend haar en een vlotte spijkerbroek. Zijn kraam is als een van de weinigen al piekfijn op orde. De bakjes aardbeien keurig in het gelid, de prei stram rechtop. De spitskolen met de punt omhoog. Appie neemt zijn zaken serieus, dat zie je zo. Hij reageert niet op de man op de scooter. In plaats daarvan loopt hij naar zijn Mitsubishi Pajero en haalt hij geroutineerd nog wat overbekende blauwe marktkratjes uit de glimmend zwarte MPV. De achterbank staat er vol mee. De peren en aubergines detoneren flink in zo’n moderne auto. En de auto zelf is ook een vreemde eend in de bijt te midden van alle verroeste busjes en aanhangers tussen de kramen.

Na een minuut of vijf te hebben toegekeken, besluit de man op de scooter weer te gaan. Er is weinig gezegd. Hij draait zijn scooter en onder een gelaten ‘sorry Appie’ vertrekt hij weer. Appie kijkt niet op of om en legt nog wat trossen bananen recht. Hem kan niets gebeuren. Hij is klaar voor weer een dag op de Dappermarkt. Er zullen nog heel wat mannen op scooters passeren vandaag.

Sorry

Bij de parkeerautomaat staat een moeder met haar drie dochters. Allevier getooid in de cremekleur van deze zomer. Het stel is duidelijk onervaren met parkeren in de hoofdstad. Ze staan in de Eerste van Swindenstraat in Amsterdam, een brede straat met twee lange rijen monumentale iepen. Amsterdam is een echte iepenstad. Waar je ook bent de in de stad, met een klein zuchtje wind hoor je de grote bomen ruisen. Ik houd van dat typische geluid, dat soms het stadsgewoel even overstemt. Alsof moeder natuur op die manier de dagelijkse stadse beslommeringen even wil relativeren. Heerlijk is dat.

De moeder is net groot genoeg om het scherm van de parkeerautomaat te bereiken. Ze tuurt om de instructies tegen de zon in te kunnen lezen. Haar dochters dwarrelen er ongeduldig omheen. Amsterdam wacht op hen. De parkeerautomaat is de laatste hindernis voor een lekker ochtendje winkelen. Of shoppen, zoals dat tegenwoordig heet.
“laat mij nou mam”
“Nee, het lukt wel, gewoon even lezen”
“ma-ham”
“ja, laat haar nou maar even kijken” valt haar zusje bij.
Omstebeurt kijken de dames op het scherm van de geldvretende zuil.
Gerommel.
Geduw.
Blikken.
Dan heeft de jongste genoeg van de situatie.
“Nou, sorry hoor”. En ze draait zich resoluut om.

Nu zijn er veel manieren om sorry te zeggen. Denk aan de oprechte variant, waarbij de ontvanger aangekeken wordt, en het sorry langzaam en duidelijk uigesproken wordt. Meestal volgt er een zucht van opluchting. Of de vluchtige variant als je wilt passeren op de roltrap of bij de kassa van de supermarkt. Deze variant dient binnensmonds te worden uitgesproken, zoals een Italiaan ongeveer ‘scuse’ zegt. En dan is er nog de neutrale variant, net na een ietwat ongepaste opmerking waarna een licht geladen stilte valt.

Het haalt het allemaal niet bij de “sorry hoor” van dit pubermeisje. Het klinkt verongelijkt, met een ondertoon van arrogantie. Scherpe s en de klemtoon op de o. De Gooise “r” rolt over straat. Je verwacht nog een toevoeging, iets in de trant van “wat genant” of “hier hoor ik niet bij”. Maar meer woorden zijn niet nodig. Deze jongedame staat ver boven deze toestand hier bij de parkeerautomaat.

Moeder vermant zich en betaalt aan de automaat. Het stel loopt terug naar hun cremekleurige Fiat 500. Ook dat nog.
De zon schijnt bleekjes en de Eerste van Swindenstraat is nog vol van de sorry van het jonge meisje. De iepen ruisen.

parkeerautomaat, foto Edwin van Eis

Ver weg

Elke komkommertijd heeft zijn eigen dier. Zodra de bouwvak begint, is het wachten op de eerste signalementen. In 2013 leek het even om een wolf in de Noordoostpolder te gaan. Er was veel onduidelijk. Wild? Tam? Uitgezet? Toeval? Expres? Duits? Pools? Eén of meerdere?
Kortom: mist rond de wolf. Gegarandeerd succes in de media die volop aan het speculeren slaan. Met een persconferentie kwam daar abrupt een einde aan. En toen was de lol er ook meteen af. Gelukkig was er een paar weken later ineens Arki.

Arki de zeehond was verdwaald en maakte een tocht door het Groene Hart. Het beestje werd voor het eerst gezien in het Amsterdam-Rijnkanaal in de buurt van Schalkwijk, dat vlakbij Houten ligt. Het Amsterdam-Rijnkanaal wordt door beleidsmakers ook wel afgekort tot ARK en zo werd de zeehond al gauw Arki gedoopt. Even later werd Arki gesignaleerd in Alphen aan den Rijn en daarna onder de rook van Kudelstaart in de Amstel, zo grofweg tussen Ter Aar en Uithoorn. Om precies te zijn: bij het Nieuwveens Jaagpad.
Doe het hem maar eens na.

Ik nam deze mededeling tot mij bij ‘broodje Mokum’, een broodjeszaak annex koffiehuis op de Rozengracht in Amsterdam. Behalve uitstekende uitsmijters hebben ze daar ook een ruime sortering kranten voorhanden. De hele voorraad lag geconcentreerd op een tafeltje bij een oudere heer. Slechts een voorkatern van het AD en een klein stukje Telegraaf lagen op de leestafel, of dat wat daarvoor moest doorgaan. Op het Telegraafkatern stond een kaart met een rode lijn.

Dan heb je me.

De rode lijn betrof de ‘vermoedelijke route’ van Arki. En die loopt van Schalkwijk via Alphen aan den Rijn naar de Amstel. Netjes getrokken via de waterwegen die zoal voorhanden zijn tussen die plaatsen, en dat zijn er nogal wat. Nu juich ik kaarten in de krant over het algemeen toe, maar dit exemplaar gaf mij een onbevredigend gevoel. Een vermoedelijke route van een zeehond door het Groene Hart. Is dat niet wat al te veel speculatie? Het zou overigens ook om 2 zeehonden kunnen gaan. Dan is er helemaal geen spake van een route, maar van een groot toeval. Toch was het een mooie rode lijn. Een route die je niet zelf uit zou kiezen. Schalkwijk. Alphen. Nieuwveen. Nieuwveens Jaagpad.
Toch maar eens heen.

Een mooie rode lijn, maar verder ben ik snel door het dunne katern heen. Wat te lezen? De oudere heer is inmiddels diep verzonken in een NRC-Next. De “Dag In Dag Uit” achterop de Volkskrant ligt daaronder al te pronken. Achterin de zaak, bij het raam van de Eerste Bloemdwarsstraat, zitten twee mannen met nog een stukje Telegraaf. Ze zijn druk in gesprek met de krant in de hand en ze zien er niet uit alsof ze vriendelijk een krant afgeven. Buiten schijnt de zon uitbundig en nieuwe klanten dienen zich aan op het terras. Een krant is verder weg dan ooit. Misschien wel net zo ver als de Waddenzee voor Arki. Of Schalkwijk voor de gemiddelde Amsterdammer. En dat terwijl er toch één groot kanaal rechtstreeks van Amsterdam naar Schalkwijk gaat. Tsja, de geografie van Nederland zit raar in elkaar.

broodjemokum

Onder de rook van Alkmaar

‘Het wordt steeds gekker,’ zei de waard, ‘ze verzinnen steeds weer iets nieuws’. Hij zit onderuitgezakt aan één van de eikenhouten tafeltjes van café het Schermer Wapen, in Stompetoren.

Mooi dorp, Stompetoren. Het ligt midden in de Schermer, één van de Hollandse droogmakerijen, vlakbij grote broer Beemster, bekend van Unesco en de kaas.
Een kruising vormt het hart van het dorp. De Oterlekerweg komt hier uit op de Noordervaart. Linksaf Grootschermer, rechtsaf Zuidschermer. Een kaarsrechte weg begeleidt het strakke silhouet van de Noordervaart. Eenvoud alom. Al is de droogmakerij inmiddels bijna vierhonderd jaar oud, dit landschap kan zijn menselijke oorsprong nog steeds niet verbloemen.

Recht vooruit ligt de kerk waarvan inderdaad de torenspits ontbreekt. Er omheen een bescheiden begraafplaats, zoals het hoort. Op een steenworp afstand ligt het Schermer Wapen. Een fors boerderijachtig gebouw, met een grote blauwwitte R op het dak. Het doet een beetje denken aan de AC-restaurants, maar dan authentieker. Twee blauwe klompjes sieren het wapen: ‘sinds 1966’.

De waard vertelt over zijn uitspanning, over de kuikens die hij achterin zijn zaak heeft staan en over het dorp dat letterlijk onder de rook van Alkmaar ligt. Dat komt door de grote vuilverbrandingsinstallatie, een groot rood gebouw aan de rand van de polder.
‘Hier wordt afval vanuit heel Nederland verbrand, dat ze per schip over het Noord-Hollands Kanaal hierheen brengen. En nu halen ze het ook al uit Engeland. Kennelijk is dat goedkoper. Zelfs het afval wordt internationaal. En ondertussen proberen we met z’n allen het land een beetje duurzamer te krijgen’. De beste man wil niet klagen, maar toch.

Ik rijd terug richting Alkmaar en draai de ring op. De weg slingert door de industrie van Alkmaar. Aan de linkerkant steekt de grote pluim van de vuilverbranding fel af tegen de azuurblauwe en oranje lucht. Rechts een ‘business centre’ en een KFC, gevolgd door een McDonalds en een gebouw van AGU, u weet wel, van de wielrenbroekjes. Dan machtig, groot en rood: het AZ-stadion, waar allang geen jongens uit alleen Alkmaar, Zaandam, of Stompetoren meer voetballen. Een klein stukje rijden op de N242 en de internationalisering vliegt je om de oren.

De zon is een grote oranje bal geworden, en het avondlicht kleurt het asfalt oranje. Al die internationale bedrijvigheid passerend, denk ik nog eens aan wat de waard van het Schermer Wapen net zei. Engels afval. En we proberen met z’n allen het land een beetje duurzamer te krijgen. En hoewel HVC ongetwijfeld een duurzaam bedrijf is en het vast op één of andere manier slim is om Engels afval te importeren, staat het me tegen.

De HVC-Alkmaar - foto: © Peterbijkerk.eufoto: © Peterbijkerk.eu

‘Onze’ snelweg

Nederland heeft geen A3. Wie over de ring van Amsterdam vanaf de Zeeburgertunnel richting de Zuidas en Schiphol rijdt, ziet na de A1 en A2 ineens de A4. Daar tussenin, vlakbij de RAI had hij moeten beginnen. De A3 was oorspronkelijk gepland langs de oostkant van Amstelveen, recht omlaag, richting Gouda. Maar wie moet er nu van Amstelveen naar Gouda? De A3 werd nooit aangelegd. We zijn met zijn allen gaan geloven in het Groene Hart. Zelfs de HSL moest ervoor wijken en kreeg een tunnel. De A3 zal er nooit komen. In elk geval niet langs Amstelveen. De strook grond die er jarenlang voor was gereserveerd is inmiddels vol gezet met huizen en lege kantoren.

Gelukkig ligt er net over de grens in Duitsland wel een A3. Wie op de A12 bij Arnhem doorrijdt richting Oberhausen komt er vanzelf terecht. En die A3 lijkt inderdaad van de Nederlanders te zijn. Het Duitse stuk snelweg is een soort overgangszone. Nederland ligt achter je, maar Duitsland is nog niet echt begonnen. Richting Duitsland rijdend, wordt je ingehaald door Hollanders. En komend vanuit Duitsland… ach, vult u maar in.
Kortom, wie vanuit het Ruhrgebiet koerst richting A3, voelt zich al helemaal thuis. Bovendien klinken de plaatsnamen ook allemaal zo lekker Nederlands: Elten, Rees, Isselburg. Toch een stuk Hollandser dan Aschaffenburg, Wiesbaden, Köln of Karlsruhe.

Toch begint Nederland voor de vakantievierende Duitsers en huiswaarts kerende Hollanders nog een stukje eerder dan op dat saaie stuk A3: al ver voor Oberhausen komt het op de borden: Arnheim.
Arnheim. Het venijn zit ‘m in die i. Waarom Arnheim? Coevorden blijft immers ook gewoon Coevorden, en Venlo is gewoon Venlo. En het Groningse Nieuweschans is ook geen Neueschans. Alhoewel? Een aantal jaar geleden werd Nieuweschans ineens omgedoopt tot “Bad Nieuweschans”. Een stukje Duitsland in Nederland. Dat dan weer wel.

Op de A1 bij Amsterdam staat een bord dat zegt ‘Berlin’ en ‘København’, met een streepje door de ø. Maar omgekeerd hebben de Duitsers zich vergist. Tegen beter weten in blijft Arnhem Arnheim. En juist daarom geeft het zo’n apart gevoel om dat bord te zien, ergens tussen Duisburg en Oberhausen. Thuisgevoel, maar toch ook weer niet.

Ik rijd door het Ruhrgebiet en weet: die Duitsers hebben zich vergist. En al die witte nummerbordjes om mij heen hebben geen idee. Bij Oberhausen neem ik toch maar de afslag naar ‘onze’ A3, naar Arnheim. Daar rijd ik spoedig weer tussen de gele nummerborden van mijn landgenoten, die beter weten.